Waarom luistert er niemand?

In de stortvloed van hysterische meningen buitelen we over elkaar heen, schrijft Philip Huff. We hebben geen oog voor de waarheid.

In een vraaggesprek met de Volkskrant stelde de Vlaamse essayist en hoogleraar Nederlandse letterkunde Geert Buelens dat de publieke opinie in Nederland gedomineerd wordt door extreme standpunten. Deze „hysterisering” is volgens Buelens goed te zien in de berichtgeving rond het aftreden van koningin Beatrix: „Op dag één is er het nieuws, en dat gaat gepaard met tranen en devotie. Op dag twee zegt iemand: Waar zijn eigenlijk de republikeinen? Op dag drie hoor je alléén nog maar republikeinen. Doorgaans sluit Bas Heijne het debat af met een soort metacommentaar, waarna zich een nieuw onderwerp aandient.”

Buelens omschrijft het publieke debat als een plek waar mensen hun mening uiten over een bepaald onderwerp, een ander vervolgens zijn tegengestelde mening geeft, en die twee daarna niet met elkaar in gesprek gaan. Dat leidt tot een cultuur waarin mensen zich steeds dieper ingraven in hun positie in het publieke ‘debat’ in plaats van tot elkaar te komen. Geert Wilders bijvoorbeeld werd afgelopen week in Australië geïnterviewd door een journalist van tv-show Sunrise en men hoorde aan het begin van het gesprek vooral soundbites uit zijn toespraak van enkele dagen eerder. Op de gestelde vragen kwam nauwelijks antwoord. Toen het gesprek een beetje op gang kwam, weigerde de journalist op zijn beurt naar de antwoorden van Wilders te luisteren. Hij wist al wat die vond en wat daar mis mee was. Zo spraken de heren vooral langs elkaar heen. Het gevolg: veel stemverheffing, verontwaardigde grimassen, en semi-beleefde „instructies” over een goed gesprek voeren, maar weinig daadwerkelijke invulling van zo’n goed gesprek.

De presentator en zijn gast werden zo inwisselbaar voor de meeste presentatoren en gasten van praatprogramma’s, en – in mijn ervaring – ook voor de meeste mensen met een tegengestelde mening in de kroeg. En dat is jammer.

De vraag is natuurlijk: Waarom? Waarom zou een gesprek waarin mensen met elkaar in gesprek gaan, een beter gesprek zijn dan een meningenparade?

Eén reden zou kunnen zijn dat twee vaak meer weten dan één. En hoe meer je weet, hoe meer je ziet, luidt het adagium. Hoe meer je ziet, hoe beter je het probleem kunt benoemen. En het juist benoemen van het probleem leidt vaak tot de juiste oplossing. Wie bijvoorbeeld denkt dat het probleem van straatgeweld tegen homo’s in Amsterdam in de religieuze hoek ligt, gaat voorbij aan de sociaal-economische positie van de daders, of de heersende straatcultuur waarin zij opgroeien.

Ontkennen dat er problemen zijn is gevaarlijk, maar ontkennen dat problemen complex zijn, is net zo gevaarlijk. Extreme, eenduidige standpunten geven geen juiste voorstelling van het probleem en leiden veelal tot verergering van het probleem.

Goed verkopende oneliners

Maar wat in het publieke debat vooral wordt gehoord, zo stelt ook Buelens, zijn juist deze eenduidige, hysterische meningen. Zelfs prestigieuze prijzen winnen gebeurt volgens hem met werk waarin wordt overdreven, in plaats van genuanceerd.

Dat komt zo: wetenschappers en politici die ongenuanceerd zijn, zijn in het voordeel ten opzichte van de genuanceerde wetenschapper en politicus. In een maatschappij met vrijemarktwerking en een obsessie voor de kijk-, klik- en verkoopcijfers tellen de goed verkopende oneliners. De gewezen hoogleraar Diederik Stapel bijvoorbeeld was een succes niet omdat hij jong of mediageniek was (dat zijn wel meer hoogleraren), Diederik Stapel was een succes omdat zijn boodschap simpel was en ons wereldbeeld vereenvoudigde: Eet je vlees, dan ben je agressiever dan de vegetariër. Vergelijk dit met de ongenuanceerde gedachte dat moslim-zijn altijd onverenigbaar is met in een democratie wonen of een stad delen met mensen met een andere levensovertuiging.

Maar een goede boodschap – dat wil zeggen: een juiste – is nooit zo simpel van inhoud, hoe eenvoudig ook gebracht, en een correct wereldbeeld is een complex wereldbeeld. De wereld is grijs, ingewikkeld, een geheel van vele gefragmenteerde delen. Het probleem van homogeweld ligt in de straatcultuur van onze hoofdstad, en in de beperkingen in de sociale mobiliteit van mensen uit de laagste klassen, alsook in de leeftijd van de overtreders en de obsessie voor geweld die elke dag overal wordt uitgevent. Een onderdeel is wellicht religie, maar het is een kleiner onderdeel dan wordt voorgesteld, en dient anders te worden aangepakt dan een aanval op de fundamenten van die religie.

Onze historische verbeelding is op zijn best licht ontwikkeld, schreef de Amerikaanse filosoof John Dewey in 1929 in het boek Characters and events. „We generaliseren en idealiseren het verleden op flagrante wijze. We construeren klein speelgoed om model te staan voor eeuwen en de gecompliceerde levens van talloze individuen.” Hij had net zo goed over onze contemporaine verbeelding kunnen spreken: We wijzen naar zwarte schapen om model te staan voor een wit offerlam. Zwart-wit. In een grijze wereld. Wel zo makkelijk, zou mijn grootvader zeggen. Maar niet correct.

In een stortvloed van hysterische meningen, aan de aanvallende kant en de weerleggende, buitelen we vaak over elkaar heen. We verliezen oog voor wat waarde heeft: de binnenkant, de achterkant, de waarheid. Keer op keer blijkt dat je als je iets wilt begrijpen, op zoek moet naar het verhaal achter het verhaal: de mechanica onder de buitenkant. Wie denkt dat Ferrari’s hard rijden omdat ze rood zijn, en daarom zijn oude Opel rood verft, komt bedrogen uit. Beter is het met een monteur in discussie te gaan over de werking van motoren. Wie weet valt er nog wat te leren.

Philip Huff (1984) is schrijver. Hij publiceert regelmatig in NRC Handelsblad en nrc.next. Op 28 maart verschijnt zijn nieuwe verhalenbundel Goed om hier te zijn bij De Bezige Bij.