Voor koopjesjagers is Spanje alweer aantrekkelijk

De weg uit de misère is niet zonder risico, maar Spanje weet langzaam weer investeerders voor zich te winnen. „Een bedrijf dat na vijf jaar crisis nog steeds over- eind staat, winst maakt en wil uit- breiden, is bijna zeker een goede investering.”

Laura Gil geeft al maanden haar cv af bij bedrijven. Bijna nooit hoort de 23-jarige Spaanse iets terug. Maar deze dag is ze met goede hoop naar de Ford-fabriek nabij Valencia getogen om ook hier een open sollicitatie achter te laten. „Ik hoorde op televisie dat ze mensen gaan aannemen”, vertelt ze voor de personeelsuitgang, waar arbeiders in blauwe overalls in- en uitlopen. „Dus ik verwacht dat ik in elk geval op gesprek mag komen.”

Het was afgelopen oktober een zeldzaam lichtpuntje in een jaar vol rampspoed. Terwijl de Amerikaanse automaker Ford besloot zijn fabriek in het Belgische Genk te sluiten, kondigde het concern aan in Valencia juist te willen uitbreiden. De Spaanse fabriek mag twee nieuwe modellen gaan produceren. Hierdoor komen er circa 1.400 nieuwe banen bij.

Het lijkt misschien een druppel op een gloeiende plaat in Spanje, waar vorig jaar elke dag gemiddeld tweeduizend mensen hun baan verloren. De problemen blijven enorm, met zijn wankele banken, ingestorte huizenmarkt, hoge werkloosheid (ruim 26 procent), kredietschaarste en vele particuliere schulden.

Maar er is niet alleen slecht nieuws. De keuze van Ford staat niet op zich. De automobielsector lijdt sterk onder de crisis en krimpt vooral in Europa fors in. Maar tegen deze trend in wisten Spaanse autofabrieken juist nieuwe opdrachten binnen te slepen. Renault bijvoorbeeld schrapt in Frankrijk de komende drie jaar 7.500 banen, terwijl er in zijn fabrieken in Valladolid en Sevilla 1.300 bijkomen. Ook Nissan, Iveco en Audi willen uitbreiden in Spanje.

Het toont hoe Spanje zich langzaam aantrekkelijker weet te maken voor buitenlandse bedrijven. Het uitbreken van de eurocrisis, begin 2010, legde bloot dat het land zijn concurrentiekracht moest verbeteren. Spanje importeerde sinds de eeuwwisseling elk jaar meer dan het exporteerde. Mede hierdoor – en door het opblazen van een enorme vastgoedzeepbel – bouwde het een hoge buitenlandse schuldenlast op.

Om deze draaglijk te houden en af te bouwen, moet de economie weer gaan groeien. Voor de invoering van de euro kon Spanje de peseta devalueren, maar nu moet het door een pijnlijk proces van zogenoemde interne devaluatie. Lonen en salarissen moeten omlaag. Alleen zo kan het land zich, samen met structurele hervormingen, weer interessant maken voor investeerders.

In zijn jaarlijkse rede tot het parlement noemde premier Mariano Rajoy de automakers twee weken geleden als voorbeeld van hoe de economie zich terugvecht. Hij schreef hun keuze voor Spanje toe aan de arbeidsmarkthervorming die zijn regering precies een jaar geleden doorvoerde.

Ook meldde de centrum-rechtse Rajoy trots dat Spanje in de laatste maanden van 2012 weer een overschot bereikte op zijn betalingsbalans: „We beginnen onze schuld aan het buitenland af te bouwen.”

Carlos Faubel is de voorman van de socialistische vakcentrale UGT binnen de Fordfabriek in Valencia. Hij geeft – met tegenzin – toe dat de arbeidshervorming waarschijnlijk een rol heeft gespeeld in Fords keuze voor Spanje. Deze hervorming verkleint de macht van de bonden bij het cao-overleg, maakt ontslag gemakkelijker en goedkoper, en geeft bedrijven meer flexibliteit. Faubel: „Ze is de droom van iedere werkgever en de nachtmerrie van iedere arbeider.”

Waar buitenlandse investeerders ook graag naar kijken zijn de ‘loonkosten per eenheid product’. Hoe lager ze liggen, hoe aantrekkelijker een land. In bijvoorbeeld Portugal en Griekenland daalden ze tussen half 2011 en half 2012 met respectievelijk 5,9 en 9,2 procent. Zowel de regering in Lissabon als die in Athene staat dan ook onder curatele sinds ze noodhulp moesten inroepen. De trojka van Internationaal Monetair Fonds, Europese Centrale Bank en Europese Unie dwong in ruil voor die steun loonsverlagingen af.

In Spanje daalden de ‘loonkosten per eenheid product’ ook, zij het minder scherp: met 2,1 procent. En deze daling was vooral het gevolg van reorganisaties en inkrimpingen. De regering vroeg vooralsnog alleen Europese steun voor haar bankensector en de trojka kan er daardoor niet dit soort pijnlijke maatregelen opleggen. Toch kan ook Spanje de komende tijd scherpere loondalingen laten zien, denkt arbeidseconoom Marcel Jansen, verbonden aan de Vrije Universiteit van Madrid.

Jansen wijst erop dat een van de ingrijpendste elementen uit Rajoy’s arbeidsmarkthervorming nog effect moet sorteren. Dit betreft de zogeheten ‘nawerking’ van collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s). Voorheen bleven oude cao’s net zo lang geldig, totdat sociale partners een nieuwe hadden afgesloten. Dit gaf de vakbonden, zeker in crisistijd, veel macht. „Zij liepen gewoon weg van de onderhandelingstafel, omdat ze wisten dat de oude, gunstiger cao toch van kracht bleef.”

De hervorming beperkt deze nawerking tot één jaar. Gevolg is dat afgelopen jaar veel minder nieuwe cao’s zijn afgesloten. Jansen: „Werkgevers zetten de vakbonden met de rug tegen de muur om forse loonkortingen te accepteren.” Of de vakbonden slikken dit, óf er vervallen vanaf juni mondjesmaat cao’s. Uiteindelijk zouden tot vier miljoen mensen zonder cao kunnen komen te zitten. „Een bom onder de arbeidsmarkt.”

Een van de honderden cao’s waarover momenteel wordt onderhandeld is die van de schoonmakers op de Madrileense luchthaven Barajas. Hun is een nieuwe cao met een loonkorting van 40 procent voorgelegd. Een voorstel waartegen ze vorige maand enkele dagen staakten, waardoor in de passagiershal kleine vuilnisbelten ontstonden.

Jansen: „Voor die mensen is het natuurlijk fors. Maar het betekent ook dat ze nu minstens 140 procent van het wettelijk minimumloon verdienen. Dat kunnen weinig schoonmakers in Europa hen nazeggen.”

Loonsverlagingen doen altijd pijn, maar komen nog harder aan in crisistijd. Zeker als ze niet (meteen) gevolgd worden door prijsdalingen. Toch zijn er eerste, anekdotische bewijzen dat na de lonen ook prijzen beginnen te dalen.

Sommige winkels, waaronder die van retailreus Inditex (Zara), adverteren ermee dat ze de btw-verhoging van afgelopen september niet aan de klant doorberekenen. En na jaren van verhogingen zijn huiseigenaren ineens bereid huren te verlagen. Ook woedt in Madrid sinds enkele weken een prijzenoorlog tussen bakkers die hun barras (stokbroden) soms wel 30 procent goedkoper aanbieden.

Interne devaluatie is niettemin een riskante evenwichtsoefening, waarschuwde The Conference Board vorige maand. Het Amerikaanse onderzoeksbureau schrijft dat de scherpe loondalingen in Portugal en Griekenland „misschien goed nieuws lijken, maar er bestaat het gevaar dat een drastische verlaging van de arbeidskosten de economie in een neerwaartse spiraal kan duwen die de politieke en maatschappelijke spanningen verscherpen”. Maar, vervolgt het rapport, „vooralsnog wegen de kosten van een uittreding uit de eurozone zwaarder dan de huidige pijn waar Spanje, Portugal en Griekenland doorheen gaan”.

Loonsverlagingen verhogen de arbeidsproductiviteit. Maar om deze duurzaam op te schroeven zijn bovenal „slimme investeringen nodig, bijvoorbeeld in innovatie en personeel”. Hiervoor moeten het vertrouwen en de financiële stabiliteit in de eurolanden en in de eurozone als geheel verder toenemen.

Voor het zover is, zal Zuid-Europa vooral interessant worden voor productie. „Multinationals die hopen te profiteren van dit herstel kunnen in potentie wel eens de bedrijven zijn die nieuw leven blazen in de verzwakte Europese economieën.”

Volgens Bert Colijn, een van de auteurs van het rapport, keert het vertrouwen in landen als Spanje minder snel terug dan het na het uitbreken van de crisis werd opgezegd. „Je ziet dat banken en bedrijven wel iets meer vertrouwen krijgen in de eurozone”, vertelt hij vanuit Brussel, „er zijn ook berichten over absolute koopjes in Spanje, maar dit sentiment is nog niet algemeen.”

Een Nederlander die jaagt op zulke koopjes, is Maurits Mulder. De oud-topman van de Iberische tak van Fortis begeleidt tegenwoordig investeerders bij overnames op de Spaanse markt. Hij spreekt van een interessante tijd. „Het is moeilijk te zeggen of 2013 of 2014 nu het jaar wordt dat Spanje uit de crisis klimt, maar het omslagpunt zit eraan te komen.”

Het grote probleem van Spaanse bedrijven is momenteel de kredietschaarste. „Zij kunnen heel moeilijk lenen bij de bank. Maar een bedrijf dat na vijf jaar crisis nog steeds overeind staan, winst maakt en wil uitbreiden, is bijna zeker een goede investering. Hier kunnen buitenlandse geldschieters een rol spelen”, zegt Mulder. Hij zou niet willen spreken van lijkenpikken. „Maar zeker wel van cherry picking.”