Samsom doet een riskante oproep

PvdA-leider Diederik Samsom meent dat de bevolking via een referendum bij besluiten over Europa moeten worden betrokken. „Dan voelen mensen eindelijk niet meer dat ze met hun rug tegen de muur staan, maar een keus hebben”, zei hij in een vraaggesprek met NRC Weekend. De kans dat zo’n referendum er komt, is aanzienlijk gestegen nu de Tweede Kamer een initiatiefvoorstel van PvdA, D66 en GroenLinks tot invoering van een raadplegend referendum vorige maand heeft aangenomen. Ook PVV, SP, 50Plus en PvdD stemden voor. Deze zeven partijen beschikken ook in de Eerste Kamer over een royale meerderheid; het raadplegende referendum zal er, ondanks het verzet van regeringsfractie VVD en de confessionele partijen, dus wel komen. Anders dan het correctieve referendum, dat een wijziging van de Grondwet vergt.

Het zou de tweede maal zijn dat de Europese Unie onderwerp is van een referendum in Nederland. De eerste keer was in 2005, toen een nieuw Europees Verdrag het onderwerp was. Dat leidde inderdaad tot toegenomen interesse bij de burgers voor ‘Europa’. Maar tegelijkertijd zorgde het referendum voor een kater bij het toenmalige kabinet en het grootste deel van het parlement, doordat de bevolking met een ruime meerderheid ‘nee’ zei tegen het verdrag.

Dat risico loopt Samsom, die uit is op een nieuw verdrag waarin ook afspraken over sociale voorzieningen worden gemaakt, opnieuw. Ook al meent hij dat een referendum over een genuanceerdere vraag zou moeten gaan dan een simpel ja of nee tegen de EU.

Het punt is dat de PvdA-leider in wezen op de stoel gaat zitten van de bevolking. Zij – en niet de Tweede Kamer – bepaalt, door middel van een actie die 300.000 handtekeningen moet opleveren, of een referendum er komt. De initiatiefnemers gaan over het onderwerp.

Bovendien laat de referendumwet die nu bij de Eerste Kamer ligt, niet veel ruimte voor nuances. Tegen wetten kan ja of nee worden gezegd, evenals tegen de goedkeuring van verdragen.

Het is daarna aan kabinet en parlement om te bepalen of het advies dat de bevolking in het raadgevend referendum heeft gegeven, wordt gevolgd.

Dan valt dus ook niet uit te sluiten dat regering en de volksvertegenwoordiging voet bij stuk houden en het referendum zien als een weliswaar omvangrijke en op zichzelf toe te juichen opiniepeiling, die evenwel niet doorslaggevend hoeft te zijn.

Dan treft de kater ditmaal niet politici, maar de burgers die in meerderheid nee hadden gezegd. En vervolgens tot de conclusie komen dat ze dus blijkbaar nog steeds geen keus hadden.