Luiheid is ondergewaardeerd

Striptekenaar Barbara Stok maakte de strip Vincent over de laatste jaren van Vincent van Gogh. Ze is meer schrijver dan tekenaar, vindt ze. Dit is wat ze van het leven weet – tot nu toe.

Barbara Stok debuteerde in 1996 met een persoonlijke strip. Nog altijd tekent ze strips met zichzelf als hoofdfiguur, in de haar kenmerkende heldere en simpele stijl. De verhalen gaan over haar gedachten, angsten, liefde en geluk. In 2009 won ze er de prestigieuze Stripschapsprijs voor. Vorig jaar verscheen in zowel het Nederlands als het Engels haar strip Vincent over de laatste jaren van Vincent van Gogh. Ze werkte er drie jaar aan. Stok baseerde zich op de brieven die Vincent en zijn broer Theo elkaar schreven.

■ „Veel mensen jagen onzinnige doelen na, zoals een steeds groter huis, steeds maar meer spullen. Als ik heel eerlijk ben, vind ik dat ik mijn leven beter heb ingericht dan veel anderen. Het verbaast me ook hoe druk mensen het hebben. Dan vliegt de wereld aan je voorbij. Mijn levensstijl vind ik een van mijn successen. Ik weet dat het een slechte eigenschap van me is dat ik daar zo zelfvoldaan over ben. Maar het levert toch iets op: mijn strips. Blijkbaar heb ik een soort drang om anderen te vertellen hoe het zit. Om daar vervolgens zelf de draak mee te steken.”

■ „Stel jezelf de vraag: wat is nou echt belangrijk in het leven? Daar moet je af en toe bij stilstaan. Een goed leven begint met heel duidelijk prioriteiten te stellen en die voor ogen te houden bij elke beslissing die je neemt. Anders kun je waarde gaan hechten aan de verkeerde dingen. Dat is zonde van je tijd. Ik wandel elke dag een uur met mijn hond door het bos. In de natuur is het makkelijker je dagelijkse sores in perspectief te zien. Dat mijn nieuwste boek goed verkoopt, vind ik een heel prettige bijkomstigheid, maar ook niet meer dan dat: een bijkomstigheid. Het gaat erom dat het een zo goed mogelijk boek is geworden, waar ik zelf tevreden mee ben.”

■ „Het besef van de dood zorgt ervoor dat je wat van het leven maakt. Sinds ik me bewust ben van de dood, heb ik er een haat-liefdeverhouding mee. Enerzijds ben ik er bang voor, anderzijds stimuleert het besef van eindigheid me om mijn tijd goed besteden. De dood heeft me altijd gefascineerd. Als kind al werd ik soms ’s avonds in bed overvallen door een diepe doodsangst. Na het plotseling overlijden van mijn zwager, een paar jaar geleden, gebeurde dat bijna elke avond. Ik besloot daar wat aan te doen: om die angst voor eens en voor altijd te verdrijven. Nadat ik dat proces had doorlopen kreeg ik het idee voor een prentenboek, Over de levensgenieter die haar angst voor de dood wil verdrijven. Mijn conclusie daarin is dat alles een cyclus is. Totaal geen wereldschokkende conclusie natuurlijk, maar voor mij was het een nieuw inzicht.

„Ik geloof niet in een onsterfelijke ziel. Filosoof Bert Keizer heeft daar eens een mooie uitspraak over gedaan: De ziel zit in het lichaam zoals de stemming in een feestje. Als je doodgaat worden de kleinste deeltjes waar je lichaam uit bestaat, je atomen, of snaren, of wat dan ook, weer onderdeel van de wereld. Met dat idee kan ik me wel verzoenen. Eigenlijk zou ik het het mooiste vinden als mijn lichaam na de dood, zoals bij de boeddhisten, op een of andere berg wordt gegooid, zodat de vogels ervan kunnen eten. Of in de zee als visvoer. Maar ja, dat mag niet in Nederland. Dat zou ook wel een beetje een puinhoop worden.”

■ „Het is prettige jezelf van een afstandje te kunnen bekijken. Dat geeft relativering. Het is helemaal niet erg om je bewust te zijn van je nietigheid, daar word je bescheiden van. Als je iets naars meemaakt, is het fijn als je om jezelf kunt lachen. Sinds ik een jaar of twaalf ben, kan ik die afstand nemen. Ik zie mijn leven in gedachten van een afstandje als een soort tijdsbalk voor me: ik zweef erboven, zie alles kleiner worden. Je zou kunnen denken dat het iets zwaarmoedigs heeft, maar ik ben totaal geen zwaarmoedig type. Sterker, ik ben tot irritants toe optimistisch. Van alles probeer ik de positieve kant te zien.

■ „Het leven is niet zinloos. Het idee van zinloosheid heb ik allang verlaten. Zin zit in de kleine dingen. Als ik mijn kamerplant water geef, heeft mijn leven op dat moment zin voor de kamerplant. En dan kom je bij een interessante vraag waar ik mij nu mee bezighoud: als er ergens een mooie bloem groeit op een rotswand waar nooit iemand komt, een bloem die nooit door iemand gezien zal worden, waar nooit een bijtje langskomt, wat is dan het nut van die bloem? Mijn voorlopige antwoord is dat het leven ook zin heeft als het door niemand gezien wordt. Want uiteindelijk heeft alles contact met alles.”

■ „ Al schrijvende analyseer je gevoelens en belevenissen. Sinds mijn twaalfde hield ik dagboeken bij. Ik sprak mezelf ook toe. Niet dat mijn strips het vervolg op mijn dagboeken zijn, maar ze hebben wel een dagboekachtige sfeer. Groot verschil is dat ik bij de strips altijd weet dat ik ze openbaar ga maken. Dan ga je dus heel anders selecteren. Je moet toch wel een beetje een hoge dunk van jezelf hebben om te denken: mijn gedachten zijn interessant genoeg om een strip van te maken. Toen ik twaalf was heb ik een keer een uitgever opgezocht in de Gouden Gids en opgebeld. Om te melden dat ik met een boek bezig was. ‘Maak het eerst maar af’, zei zij, ‘en bel dan nog maar een keertje.’ Ik kwam nooit verder dan hoofdstuk twee.”

■ „Met het werk dat ik maak, wil ik oprecht bezig zijn. Helemaal in het begin gingen mijn strips over seks, drugs en rock-‘n’-roll. Dat sloeg aan. Ik wist dat het goed voor de verkoopcijfers zou zijn als ik daarmee door zou gaan. Maar dan ga je zitten produceren voor de verkoop. Ik wilde andere onderwerpen aankaarten. Nu zit ik soms strips te tekenen waarvan ik wéét dat er maar een klein publiek voor is. Maar ik vind dat ze gemaakt moeten worden. Dat is ook een van de thema’s in mijn boek over Vincent van Gogh. Ik zou bijna zeggen: ‘dat herken ik in hem’, maar elke vergelijking die ik met Vincent zou maken, slaat nergens op. ”

■ „Luiheid is een ondergewaardeerde eigenschap. Het is goed om af en toe niks te doen. Ik denk zelfs: cruciaal, voor mij in elk geval. Om goeie strips te kunnen maken, heb ik ruimte in mijn hoofd nodig om ideeën te laten rijpen. Je kunt nietsdoen organiseren in je leven: ik heb geleerd om nee te zeggen en goed te plannen.Ik ken mijn grenzen inmiddels vrij goed, en daar houd ik mij aan. Je ziet het ook aan mijn huis, dat is één grote puinzooi. Ik houd wel van een bepaalde mate van chaos. Op andere vlakken ben ik juist heel ordelijk: als stripmaker ben ik een perfectionist, een controlfreak. Als een stripboek gedrukt wordt, ga ik mee naar de drukker.”

■ „Ik ben geen virtuoze tekenaar. Ik kan niet anders tekenen. Ik heb ook geen kunstacademie gevolgd. Op een dag ben ik er lukraak mee begonnen. Mijn strips sloegen vrij snel aan, dus toen zat ik eraan vast. De stijl heeft zich wel ontwikkeld, maar dit is de enige tekenstijl die ik heb. Maar ik vind mijn tekeningen mooi genoeg. Ze zijn maar een instrument om het verhaal te vertellen. En ik vind het mooi dat er echt karakter in zit, juist doordat ze imperfect zijn. Gefrustreerd ben ik er dus nooit over. Wel dat je zo weinig tekst kwijt kan in die ballonnetjes. . Ik kan heel lang bezig zijn met de dialogen. Dat vind ik het leukste werk en elke zin moet kloppen. Ik ben eigenlijk meer schrijver dan tekenaar.”