Italië onbestuurbaar? Bij ons gaat het die kant op

Het lidmaatschap van de Eerste Kamer is een nevenfunctie. De ambitie om politiek te bedrijven ondergraaft de democratie Een betoog van oud-voorzitter Korthals Altes.

De Europese pers is het erover eens dat Italië onbestuurbaar is geworden nu door de verkiezingsuitslag de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden niet kan rekenen op steun van de meerderheid in de Senaat. Maar in Nederland bestaat eenzelfde situatie, zolang oppositiepartijen in de Eerste Kamer niet aanvaarden dat de kiezer in de Tweede Kamer voor een duidelijke meerderheid heeft gezorgd. Waarna de Tweede Kamerfracties van deze partijen – met hun instemming – niet hebben deelgenomen aan de onderhandelingen over het regeerakkoord.

Over de Eerste Kamer is een discussie ontstaan: er zou van belangenverstrengeling sprake zijn doordat deze parttime-parlementariërs ook andere functies vervullen. Wie daarop kritiek heeft, ziet over het hoofd dat het lidmaatschap van de Eerste Kamer een nevenfunctie is. En dat de Eerste Kamer juist haar waarde ontleent aan het feit dat zij bestaat uit leden die door hun hoofdfunctie nog middenin de samenleving staan.

Het meest kenmerkende verschil in samenstelling van Eerste en Tweede Kamer is de verbondenheid met de maatschappij van Eerste Kamerleden, met politiek als nevenfunctie, en de politiek als hoofdfunctie van Tweede Kamerleden. Dit komt ook tot uiting in de algemeen aanvaarde opvatting dat het politieke primaat berust bij de direct verkozen Tweede Kamer, die om die reden in de Grondwet als eerste van de twee Kamers van de Staten-Generaal wordt vermeld.

De rol van de Eerste Kamer ligt op het terrein van kwaliteitstoetsing. Toetsing aan criteria als rechtsstatelijkheid (in overeenstemming met Grondwet en verdragen), consistentie met andere wetgeving, maatschappelijk draagvlak en handhaafbaarheid.

Uiteraard vindt ook een politieke afweging plaats. Maar deze voert niet de boventoon in een Kamer die niet zelf kan wijzigen, maar hoogstens toezeggingen kan vragen, en vervolgens voor of tegen kan stemmen. Het politieke debat is in de Tweede Kamer al gevoerd. Als de Eerste Kamer een politieke doublure zou worden, verliest zij haar zin. En kan zij zelfs een bedreiging worden voor de democratie, waarin de direct gekozen Kamer de doorslag hoort te geven.

Toen de formatie plaatsvond, verklaarden partijen als CDA en D66 dat de verkiezingsuitslag duidelijk was en VVD en PvdA samen een regeerakkoord moesten smeden en een kabinet moesten vormen. Het feit dat voor deze twee partijen in de Eerste Kamer geen meerderheid bestond, mocht daarbij geen rol spelen.

Ik citeer uit de brief van verkenner Kamp van 18 september 2012: „De lijsttrekker van de SGP bepleitte de mogelijkheid de CDA-fractie bij het onderzoek naar een coalitie van VVD en PvdA te betrekken. De lijsttrekker van het CDA zag hiertoe geen reden.”

En: „De lijsttrekker van D66 gaf aan niet betrokken te willen worden bij deze informatie gericht op de vorming van een kabinet bestaande uit VVD en PvdA, omdat deze twee partijen eerst hun verschillen zouden moeten overbruggen. Hij constateerde voorts dat D66 niet nodig is voor een meerderheid.”

Toen de heren Van Haersma Buma en Pechtold dat verklaarden, wisten zij dat alles wat de door hen aanbevolen coalitie zou voorstellen, ook door de Eerste Kamer zou moeten worden aanvaard. En dat dat alleen maar mogelijk was met steun van een of meer van de met hen verwante fracties (die van het CDA is voldoende, D66 alleen is niet groot genoeg). Anders dan bij de formatie in 2010 schreven Eerste Kamerleden geen brief om te waarschuwen dat de onderhandelende partijen in die Kamer geen meerderheid hadden.

Gelet op het primaat van de Tweede Kamer, dat partijen als CDA en D66 (dat voor een eenkamerstelsel is) beide onderschrijven, zouden zij juist moeten verwerpen dat de hun verwante fracties in de Eerste Kamer om politieke redenen tegenstemmen. En zeker partijen als CDA en D66, die ook de geldende begrotingsnormen onderschrijven, zouden een begroting die met de nodige moeite binnen die normen blijft, moeten steunen. En ook de maatregelen die genomen moeten worden om binnen die vastgestelde begroting te blijven. Doen zij dat niet, dan wordt door hun optreden het politieke primaat van de Tweede Kamer ondermijnd. Wat betekent dan nog wat Buma en Pechtold tegenover de verkenner hebben verklaard?

In plaats van opportunistisch te schamperen over de pogingen van het kabinet om in de Tweede Kamer een bredere steun te verkrijgen dan alleen die van de coalitiepartijen, zouden de Tweede Kamerfracties (net als eerder bij het Lenteakkoord en bij het woonakkoord) gebruik moeten maken van de mogelijkheid alsnog invloed uit te oefenen op de plaats waar dat hoort – de Tweede Kamer. Laten zij dat na, dan moeten zij ook aanvaarden dat hun fracties in de Eerste Kamer geen politiek recht van spreken (meer) hebben.

Als de Eerste Kamer om politieke redenen begrotingen of uitvoeringswetgeving laat sneuvelen, ondergraaft zij ook haar eigen bestaansrecht. Ik ben niet de eerste die hiervoor waarschuwt. De gewezen PvdA-fractievoorzitter, Han Noten, trok zich mede terug omdat hij vond dat de Eerste Kamer te veel politiek bedreef.

Frederik (Frits) Korthals Altes (VVD) was van 1997 tot 2001 voorzitter van de Eerste Kamer. Daarvoor was hij minister van Justitie en van Binnenlandse Zaken. Sinds 2001 is hij Minister van Staat.