Het CPB moet investeringen in wetenschap op waarde schatten

In de CPB-berekeningen leveren investeringen in wetenschap niets op. Hans Clevers initieerde een experiment om dit te veranderen

Vorig jaar zomer, bij mijn aantreden als opvolger van Robbert Dijkgraaf bij de KNAW, viel ik met mijn neus in de boter. Midden in de Haagse heksenketel van de verkiezingen maakte ik kennis met bewindslieden, fractieleiders en hoge ambtenaren. Vrijwel overal vond ik een gewillig oor voor mijn boodschap: spaar onderwijs en wetenschap in deze moeilijke tijden, nee – beter nog: investeer erin! Immers: het Groningse gas raakt op en kennis is in de toekomst de enige grondstof waar onze economie op draait. In vrijwel alle partijprogramma’s werd voorgesteld te investeren in onderwijs en onderzoek. Tegelijkertijd waarschuwde iedere fractieleider me: dit soort voorstellen, hoe belangrijk en sympathiek ook, overleven de CPB-berekeningen niet. Zij hebben door de jaren heen geleerd dat het toekennen van extra budget aan wetenschap hun programma strafpunten oplevert.

Geprikkeld door deze observaties toog ik naar het CPB om de kwestie voor te leggen aan directeur Coen Teulings. Ik leerde het volgende. Het CPB is opgericht door Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen, grondlegger van de econometrie. CPB-adviezen worden alleen uitgebracht wanneer de onderliggende wetenschap solide is. Als er geen wetenschappelijk model bestaat voor het economisch effect van een bepaalde maatregel, dan wordt zo’n maatregel ingeboekt als een uitgave zonder toekomstige inkomsten. De voorspellingen van het CPB gaan over de korte termijn, bijvoorbeeld een regeringsperiode van – normaliter – vier jaar. Wanneer er wordt geïnvesteerd in wetenschap of innovatie, dan voorspellen de econometrische modellen geen ‘return on investment’.

Dat leek – en lijkt – me een obstakel van formaat. Fundamentele ontwikkelingen zoals antibiotica, de laser, of microchip bereiken pas na tientallen jaren de markt, maar ook toepassingsgericht onderzoek heeft vaak een doorlooptijd van meer dan tien jaar. Waardeloos dus, althans in een korte termijn econometrische voorspelling.

In mijn dagelijks leven ben ik arts en geneticus. In de genetica testen we het belang van een fragment DNA bij plant, dier of mens door te onderzoeken wat er misgaat als dat DNA-fragment wordt uitgeschakeld. Wanneer we deze aanpak als gedachtenexperiment op wetenschap en techniek toepassen, dan ontrolt zich een simpel scenario. We strepen vandaag de wetenschaps- en innovatiebudgetten van OCW, EZ en VWS weg. De komende jaren stroomt de schatkist over. En over tien, vijftien jaar komt Nederland Kennisland krakend tot stilstand. Aan de conclusie van dit gedachtenexperiment zal niemand twijfelen: wetenschap is niet waardeloos. Toch lijkt dat wel het uitgangspunt van de begrotingssystematiek in ons land. Het kan niet anders dan dat zo’n regime, hoe welwillend de politici ook zijn, leidt tot een gestage erosie van de investeringen. En dat is precies wat we al zo’n vijftien jaar zien gebeuren. Incidentele budgetverhogingen, zoals recent door minister Kamp en staatssecretaris Dekker aangekondigd, worden voor de poorten van de hel weggesleept.

Hoewel ik in economisch opzicht een tabula rasa ben, kwam de volgende gedachte in mij op. Als kind vroeg ik mij af wat een mens zou bewegen een bos aan te planten als dat bos pas na vijftig jaar in de vorm van planken verkocht kan worden. Vervolgens ontdekte ik wat bosbouwers daarop bedacht hebben. Ze kennen aan een aangeplant bos waarde toe, afhankelijk van de leeftijd van de bomen. Daarna kunnen ze zo’n groeiend bos voor harde euro’s onderling verhandelen, zonder het te kappen. De ontwikkeling van wetenschap is als nieuwe aanplant: er moet langdurig geld in maar uiteindelijk ontstaat er iets buitengemeen waardevols. Waarom, zo vroeg ik mij af, kunnen politici en het CPB niet wat bosbouwers wel kunnen?

Een gesprek met de eminente economen die lid zijn van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen wees uit dat deze vraag niet simpel te beantwoorden is. Langetermijnvoorspellingen kennen per definitie grote onzekerheden. En het is ook niet eenvoudig om de positieve langetermijneffecten van wetenschap (waaraan we dus niet twijfelen) om te rekenen in een ‘virtuele’ waardegroei op de korte termijn. Toch denken deze economen dat dit mogelijk moet zijn. Afgelopen vrijdag zijn zij onder voorzitterschap van Luc Soete, rector magnificus van Maastricht University, aan de slag gegaan.

Allereerst onderzoeken ze hoe andere landen met deze problematiek omgaan. Vervolgens willen ze een wetenschappelijk aanvaardbare methodiek definiëren om de waarde van langetermijninvesteringen zichtbaar te maken in kortetermijnvoorspellingen. Met deze inzichten in de hand gaan we de dialoog aan met het CPB, een gesprek tussen serieuze wetenschappers. Met aan de horizon een verandering van de begrotingssystematiek, waardoor de Nederlandse wetenschap voortaan letterlijk op haar waarde wordt geschat. Een experiment, maar daar zijn wetenschappers nooit afkerig van.