Elke acteur zijn eigen feestje

Op papier heeft de nieuwe Tsjechov-productie alles mee Maar het raakt niet

Tournee t/m juni, tsjechov3.nl

Het is een droevig raadsel: waarom is deze Kersentuin in de regie van Gerardjan Rijnders bij Hummelinck Stuurman mislukt? Alle ingrediënten voor succes zijn aanwezig. 1: Het weemoedige De kersentuin (1903) is misschien wel Tsjechovs mooiste. 2: Rijnders was in de jaren tachtig en negentig één van de meest vernieuwende Nederlandse regisseurs: zijn revolutionaire Drie Zusters (in 1983) geldt als een nieuw ijkpunt in Tsjechov- ensceneringen. 3: De laatste jaren maakte Rijnders een opmerkelijke comeback met drie Tsjechov-regies die op een verrassend conventionele manier mooi waren. Na een aarzelend begin met De Meeuw (2011) was het vorig jaar goed raak met een prachtige Oom Wanja: sober, geestig, aards, ontroerend. Die productie werd geselecteerd voor het Theaterfestival, en Hein van der Heijden won een Louis d’Or.

Van der Heijden is nu weer van de partij, evenals onder anderen Reinier Bulder en Saskia Temmink, die we in de eerdere delen ook zagen. Uitgebreid met Carine Crutzen als weduwe Ljoebov Ranevskaja en Paul R. Kooij als zakenman Lopachin is met recht sprake van een ijzersterke cast (4). En toch krijgt deze voorstelling maar geen vleugels.

Het is alsof de regisseur de vertelling wat schematisch afwikkelt – om niet te zeggen liefdeloos. Zo blijft de voorstelling hangen in de anekdote: de weduwe Ljoebov en haar broer Leonid (Van der Heijden) komen voor het eerst sinds jaren weer in hun buitenverblijf, met de geliefde kersentuin. Maar de familie is aan lager wal geraakt, en als ze niet snel een oplossing vindt, moet het landgoed worden verkocht. Boer en zakenman Lopachin, in stilte verliefd op Ljoebov, komt met een goedbedoelde oplossing: omhakken die boomgaard, en het terrein volbouwen met zomerhuisjes. Hij wordt door Ljoebov en Leonid minachtend weggewuifd; zij kijken diep neer op zijn ondernemersgeest. Maar broer en zus zijn zelf niet in staat een volwassen besluit over hun bezit te nemen. Die inertie wordt ze fataal; hun landgoed wordt verkocht, en wel – o, zoete wraak – aan diezelfde Lopachin.

Rijnders mag beschikken over topacteurs; aan spelregie heeft hij weinig aandacht besteed. Elke acteur viert zijn eigen feestje. Kooij is over-the-top komisch, met een nauwelijks waarneembaar tragisch trekje. Crutzen zet juist direct het drama flink aan, met treurige blikken en tranen. Overdreven klaaglijk is Eline ten Camp als dochter Anja, waar Van der Heijden met klein, stil spel van Leonid een cynische nicht met een overgevoelig reukorgaan maakt. Nergens wordt dit ensemble meer dan een verzameling eilandjes; hun spel een reeks solo’s zonder samenhang.

Ook ontbreekt een helder concept. Wil Rijnders nu vertellen over de overgang van een feodaal naar een kapitalistisch systeem; over oude adel versus nouveau riche? Het wordt allemaal slechts lichtjes aangestipt. Het ongeïnspireerde decor (voile gordijnen en één voorraadkast) helpt evenmin bij het vaststellen van een richting of idee. Dat de gordijnen aan het slot omlaag worden getrokken en coulissen en achtertoneel worden onthuld, is een clichématige verbeelding van ontluistering.

De voorstelling kent een paar leuke momenten. Crutzen kan als verwend kindvrouwtje geestig kirren en kontschudden. Van der Heijden ontlokt met elk handgebaar wel een lach. En Kooij geeft even komisch als ontroerend gestalte aan de onzekere sociale status van boerenmiljonair Lopachin. Zijn naïeve verliefdheid en hoop maken subtiel plaats voor verbittering en rancune. Maar echt raken doet deze Kersentuin niet.