Een overbodige eed

Ten minste twee Kamerleden van de SP zullen 30 april weigeren ten overstaan van de dan als koning ingezworen Willem-Alexander de eed of belofte af te leggen. Leden van de Partij voor de Dieren overwegen het ook te laten.

Ze stellen zich op het, op zichzelf logische, standpunt dat ze al bij hun installatie als Kamerlid de eed of belofte hebben afgelegd, en daarmee hun trouw aan de Grondwet hebben beloofd. Voor de SP’ers geldt bovendien dat zij principieel republikeins zijn.

Twee senatoren van D66 hebben nu aan premier Rutte schriftelijk gevraagd in hoeverre het afleggen van de eed of belofte voor leden van de Staten-Generaal, straks in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, staatsrechtelijk verplicht is.

De premier kan eenvoudigweg verwijzen naar de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning. Die werd in 1991 door de Tweede Kamer aangenomen en in 1992 door de Eerste Kamer , zonder dat een stemming erover noodzakelijk bleek.

Die wet bevatte een bevestiging van de praktijk die ook bij de inhuldiging van Juliana (1948) en Beatrix (1980) werd gevolgd. Ook toen werden de Kamerleden geacht aan het nieuwe staatshoofd de eed of belofte af te leggen. De wet beveelt de voorzitter van de Staten-Generaal onder meer plechtig te verklaren „dat wij uw onschendbaarheid en de rechten van uw koningschap zullen handhaven”. Alle leden dienen daarna deze verklaring hoofd voor hoofd te beëdigen of te bevestigen, zo staat in de wet.

Dat is nogal veel gevraagd van republikeinen. Bovendien blijft de eed of belofte die ze bij hun installatie als Kamerlid voor de periode van hun lidmaatschap al aflegden, vanzelfsprekend van kracht.

Principiële weigeraars kunnen dus straks voor een opvallende stilte in de kerk zorgen als de voorzitter van de Staten-Generaal, VVD-senator De Graaf, hun namen afroept. Ze kunnen er ook voor kiezen de plechtigheid niet bij te wonen, zoals een of meer parlementariërs inderdaad van plan zijn. Dat was trouwens ook al het geval bij de inhuldiging van koningin Beatrix. Toen waren enkele leden van de republikeinse PSP (een van de voorlopers van GroenLinks), PvdA en D66 principieel afwezig. Niet dat hun daarna een strobreed in de weg werd gelegd. Onverminderd behielden zij hun parlementaire rechten. En terecht.

De wet is de wet, van Kamerleden, medewetgevers tenslotte, mag worden verwacht dat zij zich eraan houden. Tegelijkertijd toont de praktijk aan dat er hooguit sprake is van een ritueel waaraan parlementariërs zich ook kunnen onttrekken. In die zin is er sprake van een dode letter. Maar dat hadden Tweede en Eerste Kamer beter begin jaren negentig kunnen bedenken, toen ze er zonder te stemmen mee akkoord gingen.