De fusie staat vast, nu ‘open overleg’

Noord-Holland, Utrecht en Flevoland samen? In Alkmaar schetste minister Plasterk burgers gisteren de voordelen van een fusie. „Dit is de kans.”

Minister Plasterk in debat met een bezoekster van zijn ‘open overleg’ in Alkmaar. Foto Olivier Middendorp

Minister, leidt fuseren niet juist tot extra kosten? Minister, houdt u wel rekening met de inwoners van Texel? Minister, waarom voegt u niet eerst Groningen, Friesland en Drenthe samen?

De vragen komen van inwoners van Noord-Holland, de provincie die met Utrecht en Flevoland moet opgaan in één Randstadprovincie. En de minister, dat is PvdA’er Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken, die het fusieplan wil verwezenlijken.

Bij zo’n fusieplan hoort een ‘open overlegfase’ tussen minister en belanghebbenden. Dus zit de minister deze maandagavond in een Alkmaarse theaterzaal vol Noord-Hollanders – uit Alkmaar zelf, uit Castricum, uit het „prachtige Uitgeest”. Met een man of vijftig zijn ze gekomen. De helft heeft grijs haar, het aantal veertigminners is klein. Plasterk pent ijverig hun vragen neer vanachter een tafel en beantwoordt ze.

Nee, de fusie leidt tot een besparing van 75 miljoen euro. Ja, voor Texelaars beleggen we een bijeenkomst in Den Helder. En nee, laten we niet die drie noordelijke provincies aanpakken, laten we bij deze Randstadprovincie beginnen.

Een fusie van Noord-Holland, Flevoland en Utrecht is logisch, zegt Plasterk. Hij wijst op een indrukwekkende stapel rapporten naast hem, alle over het vormen van een Randstadprovincie. De commissie-Geelhoed, de commissie-Kok, rapporten van Berenschot. Er wordt, kortom, al jaren over nagedacht, zegt Plasterk. De fusie kwam er nooit, maar feit is: er is te veel bestuurlijke drukte in de Randstad. Eén krachtig bestuur is goed voor de economie.

Plasterk wil dat de fusie in maart 2015 een feit is. „Als dit nu niet lukt, dan kan het plan weer voor 25 jaar van tafel. Dit is de kans, ik wil de cynici geen gelijk geven.”

Deze open overlegfase lijkt dan ook niet bedoeld voor open overleg. Dat de minister wil fuseren, staat vast. Hij is hier met zijn ambtenarenteam om sterke argumenten en vragen te verzamelen, zodat zijn wetsvoorstel straks nog steviger staat. Stevig genoeg om door de Tweede en Eerste Kamer te loodsen.

Dus bedankt de minister de man in de zaal die namens de land- en tuinbouworganisatie LTO Noord opmerkt dat het kabinet nog te vaag is over de gevolgen van de fusie voor agrariërs. „Schrijf ik op.” Hij bedankt de paar Noord-Hollanders in de zaal die zijn plan publiekelijk steunen. „Dat heeft een mens nodig.” En hij bedankt de vragenstellers – vier of vijf – die zich afvragen of een fusie wel tot financieel voordeel leidt. „Het kostenargument gaan we beter onderbouwen”, aldus Plasterk.

Maar twijfels of zijn argumenten voor fusie kloppen, heeft de minister niet. Noord-Hollanders met kritische vragen krijgen een kordaat antwoord. Wordt de Kop van Noord-Holland in een megaprovincie niet het ondergeschoven kindje, minister? Nee, want de invloed van Amsterdam wordt juist kleiner. Is de tijd van groei en schaalvergroting niet voorbij, minister? Dit is afslanking van het middenbestuur, geen schaalvergroting. En bent u bekend, minister, met Gronings onderzoek dat concludeert dat fusies – van gemeenten – juist duur uitpakken? Ja, antwoordt Plasterk, ik ken het rapport. Maar dat gaat over gemeenten. En op langere termijn is fusie financieel juist voordelig.

Die laatste vraag kwam van ene Jacob Smit uit Alkmaar, 59 jaar. En hij is ontevreden met het antwoord van de minister, zo blijkt achteraf. „Volgens dat onderzoek is zo’n fusie ook op langere termijn nadelig. De minister zei het rapport te kennen, maar hij wilde het er niet echt over hebben.”

Corrie Hermann (80), inwoner van Castricum en oud-Tweede Kamerlid voor GroenLinks, prijst Plasterk voor zijn bereidheid te luisteren naar inwoners. Maar het fusieplan is een „bestuurlijke ballon”, zegt ze. „Plasterk wijst op die stapel rapporten en zegt: nu moet het gebeuren. Maar hij zou zich op basis van diezelfde stapel rapporten ook kunnen afvragen: waar begin ik aan?”