Zó verliefd

Ergens in Amsterdam-West stond ik met een groepje mensen kleumend op een tram te wachten die maar niet wilde komen. De winter sloeg ons met ijzige windvlagen om de oren, alsof hij zo onbarmhartig mogelijk afscheid van ons wilde nemen. We staarden doelloos voor ons uit, niemand had iets om handen, behalve een vrouw van in de dertig met geblondeerd haar en gehuld in een zwarte wollen jas met rode biezen. Zij mobielde.

Het was een hoogstpersoonlijk gesprek dat ze desondanks op luide, indringende toon voerde. Het ging over haar liefdesleven dat diepe dalen had gekend, maar nu een opwaartse beweging naar het grote geluk gemaakt had. „Ik ben zó verliefd en het geeft me zóveel energie.’’

Ik vermoedde dat de meesten van ons het met jaloezie aanhoorden, want verliefd, laat staan stapelverliefd, ben je niet elke dag. Misschien dat we ook daarom zo vaak een weinig energieke indruk maken.

Toen de tram eindelijk arriveerde, vond ik het bijna jammer dat ik de rest van het gesprek niet meer kon horen. De vrouw had met deze mogelijkheid rekening gehouden, want in de tram zette ze het contact op dezelfde geluidssterkte voort. Toch ging er voor mij wel iets van de liefdeslyriek verloren in het ijzeren gekreun van de tram. Zij zat vooraan, achter de bestuurderscabine. Om haar heen zaten allerlei mensen die, net als ik, met onbewogen gezicht acteerden dat ze niets hoorden. Het verbergen van nieuwsgierigheid of ergernis behoort tot de routines van het stadsleven.

Daarom moet het voor iedereen, inclusief de telefonerende vrouw, een grote verrassing zijn geweest toen de trambestuurder zich tijdens een oponthoud voor een stoplicht opeens met zijn bovenlichaam uit zijn cabine boog om met licht Surinaams accent naar de vrouw te roepen: „Zou u willen ophouden met dat bellen? Iedereen kan meeluisteren en we willen het allemaal niet weten.’’

Het duurde even voor zijn woorden waren ingedaald. Een trambestuurder die zich met onze conversatie bemoeit, dat waren we niet gewend. Hun interventies blijven doorgaans beperkt tot gevallen van puur wangedrag of zwartrijden.

De vrouw in kwestie moest ook even slikken, maar besloot toen van zich af te bijten. „Ik mag toch zeker nog wel bellen in de tram?’’

De bestuurder liet de vraag onbeantwoord en keek weer voor zich op de straat. Zijn woorden hadden indruk gemaakt, want de vrouw hervatte haar mobiele gesprek op minder schelle toon. Kennelijk was ze voor haar gesprekspartner nu niet meer goed verstaanbaar, we hoorden haar mopperen: „Ik mag niks meer zeggen, iedereen hoort het.”

En wéér maakte het bovenlichaam van de bestuurder een halve draai, terwijl we zijn stem hoorden bassen: „Je zegt nu wel dat je niks mag zeggen, maar daar gaat het helemaal niet om. Dit doe je toch niet, zó hard bellen?!’’

„Heb jij daar dan last van?” kefte de vrouw.

„Er zijn mensen die daar last van hebben, ja.”

Een oudere passagier riep parmantig vanaf zijn bankje in de buurt van de cabine: „Ik bijvoorbeeld! Ik heb hier erg veel last van.”

De vrouw mompelde iets en borg haar mobieltje weg. De oudere passagier keek tevreden naar een man tegenover zich. „Die dingen zijn alleen aardig zolang ze erop kijken”, zei hij.

Mijn gedachten bleven nog even hangen bij de Amsterdamse trambestuurder. Vroeger hingen die graag de humorist uit. Zou het lachen zelfs hun vergaan zijn?