Stalin als mythe voor de toekomst

Zestig jaar geleden stierf Jozef Stalin. Het Rusland van Poetin kijkt steeds positiever op hem terug. Zelfs de bovenklasse verlangt naar een béétje Stalin.

Jozef Stalin is terug in Rusland. Niet als nostalgisch fenomeen met een knipoog, zoals twintig jaar geleden. Nee, de vozjd, zoals een Führer of duce er heet, is zestig jaar na zijn dood terug als een leider van wie de natie weer wat kan leren. Stalina na vas njet, zoals de titel luidt van een apologetisch boek uit 2007. Vrij vertaald: ‘Als jullie onder Stalin hadden geleefd, dan….’. Ofwel: Stalin zou wél raad hebben geweten met de corruptie en wanorde in Rusland.

De schappen in boekwinkels en kiosken liggen vol met deze en andere boeken, dvd’s, kalenders en parafernalia die refereren aan de dertig jaar dat Stalin regeerde. Ze zijn deel van series als ‘Genieën der macht’ en ‘Raadsels van 1937’ (het jaar van de ‘grote terreur’) en hebben titels als Hoe Stalin een perestrojka verijdelde en Stalinistische deportaties: misdadige willekeur of rechtvaardige vergelding?

De subtekst ervan is vaak actueel. Met een vozjd aan het roer zouden de leiders van nu verschrompelen tot minne mannetjes. En zouden de liberasti (samenvoeging van liberaal en pederast) en dermocraten (woordgrapje op stront en democraat) het hazenpad kiezen. De onderkant kan via Stalin zo uiting geven aan haat jegens de bovenbazen.

En daar blijft het niet bij. Zaterdag 23 februari, veteranendag in Rusland, overhandigde een clubje communisten in Volgograd vijftigduizend handtekeningen onder een petitie waarin wordt geëist dat de stad weer tot Stalingrad wordt teruggedoopt. Eerder vorige maand werd de stad al één dag omgedoopt ter gelegenheid van de slag in 1943.

Stalin is na de ontmanteling van de Sovjet-Unie in 1991 nimmer echt weggeweest. Hij bleef een marketinginstrument. Maar de grondtoon van het aanbod is nu positiever dan ooit sinds de laatste sovjetpresident Michail Gorbatsjov, wiens glasnost leidde tot rehabilitatie van talloze slachtoffers en een eerlijkere kijk op vroegere taboes als het Molotov/Ribbentroppact (1939) en de slachting onder Poolse officieren bij Katyn (1941). Nog belangrijker is de breedte van de herwaardering. Die beperkt zich niet meer tot verstokte communisten, bejaarden en paupers. Ze wordt ook, zij het wat meer omfloerst, beleden door redelijk goed opgeleide burgers: van vaklieden en andere middengroepen tot bureaucraten en machthebbers in de top van de piramide.

De 57-jarige journalist Nikolaj Svanidze, een verre achterneef van de eerste vrouw van Stalin en kleinzoon van een bolsjewiek die in 1937 werd geëxecuteerd, formuleerde het vorige week voor radiostation Echo Moskvy onder de kop Stalin Light als volgt: „Stalin is een merk. Stalin is een superster. Voor de volksmassa’s fungeert hij allereerst als sociaal protest. Voor de bovenlagen is het een andere zaak. Die verlangen niet naar een infarct van angst, naar een ijzeren gordijn. De echte Stalin, de Stalin met het volledige programma: dat natuurlijk niet. Maar een beetje Stalin, zonder uitersten, zonder extremisme, zonder helse verschrikkingen: dat is een ander verhaal.”

De maatschappij staat betrekkelijk machteloos tegen deze verlosserstatus. Anders dan in Duitsland stagneert in Rusland namelijk de historiografie en het debat tussen historici.

Duitsland heeft sinds eind jaren vijftig menig geschiedkundig debat gevoerd. Dat mondde in de jaren tachtig uit in de Historikerstreit over de correlatie tussen Hitler en Stalin. Rusland leek die weg ook te volgen. Dankzij de glasnost en het naïeve enthousiasme uit die tijd werd de maatschappij overspoeld met literatuur: romans, bronnenstudies, essays, biografieën, films en wat niet al. Twee namen ter illustratie. Brigadegeneraal Dmitri Volkogonov schreef zijn kritische trilogie over Lenin, Trotski en Stalin. En Memorial, een ngo opgericht in 1987, wijdde zich, behalve aan de herinnering van de slachtoffers in de Goelag, aan het open gooien van de archieven. Daar wachtte ongekend bronnenmateriaal op historische verwerking.

Het effect was ernaar. Werd de geschiedschrijving van het stalinisme vóór Gorbatsjov gedomineerd door historici buiten Rusland, na 1987 namen de Russische historici het heft meer in handen. De populaire boekjes, die in de jaren negentig wel bleven verschijnen, leken hierdoor onbetekenende uitingen van nostalgie.

Maar onder president Vladimir Poetin kantelde de balans tussen kritische en apologetische geschiedschrijving. Een belangrijke uiting daarvan was een handboek voor leraren, dat in 2007 verscheen: Nieuwste geschiedenis van Rusland, 1945-2006 van de historicus Aleksandr Filippov. Hij vergeleek Stalin met rijkskanselier Bismarck die het Duitse grondgebied met „ijzer en bloed” tot één staat smeedde. Filippov zag de ‘collectivisatie’ van de landbouw, de hongersnood, de ‘zuiveringen’ in de jaren dertig en de strafkampen niet over het hoofd, maar de teneur van dit handboek voor het onderwijs was toch anders. De kinderen moesten weer leren dat Rusland anders is dan alle andere landen. Een jaar later stond in een leerboek voor schoolkinderen van 16 en 17 jaar de zin dat „repressie en angst een effectief mechanisme voor de selectie van de kaders [personeelsbeleid, red.] waren”.

Aldus werd een nieuw beeld geschapen: een revisionistisch beeld van de vozjd als „effectieve manager” van het eeuwige Russische Rijk. Een Russische variant op de Historikerstreit kwam in dit klimaat niet van de grond.

De historicus en filosoof Nikita Petrov, de 56-jarige vicevoorzitter van Memorial, verklaart die stagnatie zo: „Rusland houdt vast aan oude symbolen omdat het al lang geen eigen identiteit meer heeft, omdat het denkt dat het alleen kan bestaan als imperiale macht. Er is bovendien geen basis voor verschillende interpretaties van de geschiedenis, omdat er zelfs over de feiten van het stalinisme geen overeenstemming bestaat. Ook onder historici is er weerstand tegen een destalinisatie als in Duitsland is gebeurd met het nazisme.”

Andere historici in Moskou – die géén boeken schrijven over de ‘manager van de 20ste eeuw’ en die niet met naam en toenaam willen worden geciteerd – delen deze redenering. De herinnering aan Stalin is vooral een mythe over Stalin, die zijn wortels heeft in de overwinning op Duitsland. De hernieuwde autoriteit van Stalin zegt volgens deze historici echter ook iets over de toestand van nu. De samenleving neigt naar een harde hand omdat in Rusland onzekerheid over de toekomst als vanouds nog steeds groot is.

In Rusland komt daar nog iets bij. De maatschappelijke cultuur is, eveneens als vanouds, zwart/wit. De top van de staat wordt gevormd door mensen die elkaar kennen, elkaar iets verschuldigd zijn of elkaar kunnen chanteren. De macht daar is persoonlijk, heeft een gezicht. Aan de basis van de samenleving moeten de burgers contact houden met de bazen, van wie ze afhankelijk zijn voor werk, huisvesting of studie. Daartussen is de maatschappij leeg. Een publieke ruimte, zoals in West-Europa met zijn ‘bemiddelingscultuur’, bestaat niet in Rusland. Door deze „binaire cultuur” leeft een Rus op instinct, niet op ratio. De onzekerheid die daarvan het gevolg is, speelt de autoriteit van Stalin in de kaart. En die van de kerk, die het geestelijk leven nu steeds meer naar zich toe trekt via aalmoezeniers in het leger, grondbezit en politieke invloed. Volgens Petrov klinkt nu zelfs de theorie dat de Amerikaanse president Ronald Reagan het niet had gemunt op het communisme maar op de orthodoxe kerk in Rusland. Het driewerf ‘orthodoxie – autocratie – volksheid’, dat stamt uit de tijd van tsaar Nikolaas I (1796-1856), is daarom weer terug in de tijd. Net als Stalin.

Die cultuur had misschien doorbroken kunnen worden na de val van de Sovjet-Unie in 1991. Maar dat is niet gebeurd. President Boris Jeltsin hechtte in de jaren negentig geen prioriteit aan het op- en uitbouwen van instellingen die de macht zouden kunnen controleren. Geheel in de Russische traditie vertrouwde hij de hervormingen liever toe aan een kring van bekenden. Personen kan je immers ontslaan, instituties niet. De monetaire shocktherapie en de privatiseringsgolf hebben toen geen echt vrije bezittende klasse gebaard.

Ongeveer eenderde van de bevolking voelt zich momenteel weliswaar deel van de middenklasse. Maar die Russen moeten er wel rekening mee houden dat dit zomaar kan veranderen. Zelfs oligarchen met miljardenvermogens moeten dat. Met name Poetin heeft hen dat na 2000 duidelijk gemaakt. De gevangenschap van oliebaron Michail Chodorkovski is het bekendste geval. Minder verstrekkend maar iconografisch was ook de vernedering die staalmagnaat Oleg Deripaska zich in 2009 ten deel moest laten vallen. Deripaska wilde een fabriek in Pikalevo sluiten, waardoor het halve stadje werkloos zou worden. Poetin ontbood hem. Voor het oog van de camera’s moest Deripaska een verklaring tekenen dat de fabriek open bleef – op zijn eigen kosten uiteraard – waarna hij zelfs de pen als een schooljongen moest teruggeven aan Poetin. Menigeen had er schik in: zo pakt een echte patroon zijn ondergeschikten aan.

Het feit dat Rusland eigenlijk amper burgers kent, heeft invloed op de Stalin-mythe en ook op het onvermogen om de vraag te stellen hoe en waarom Stalin zijn moorddadige gang kon gaan. Nikita Petrov: „De omvang van het aantal slachtoffers van Stalin moet wel ontkend worden. Erkenning veronderstelt namelijk schuld. Maar Rusland kan als maatschappij niet schuldig zijn”. Dat kan immers alleen met een burgerij die zich medeverantwoordelijk voelt voor de staat.

In dit klimaat gedijt dat politieke verlangen naar een opvolger van Stalin. Poetin is nog geen vozjd. Maar vozjdisme, een leiderscultus à la het Italiaanse ducismo, rukt op. In de woorden van Svanidze: „Het gaat over orde, discipline en respect voor ouderen”. Niet vrijwillig van onderop maar van bovenaf: ‘op afroep’.