Ot en Sien in Bandoeng

De Japanners eisten tijdens de Tweede Wereldoorlog in interneringskampen alle persoonlijke bezittingen op, inclusief fotoalbums. In het Amsterdamse Tropenmuseum zijn nu driehonderd ‘verweesde’ albums uit Nederlands-Indië met duizenden foto’s gedigitaliseerd. Binnenkort zijn ze wereldwijd te zien. Dat vergroot de kans dat ze terugkeren naar rechthebbenden.

‘Het is een ‘wonderwerk’ dat ik het fotoalbum uit Indië weer in mijn bezit heb, een mirakel.” De stem van Lies Duif klinkt opgetogen. Ze is 86 jaar en woont in Johannesburg, Zuid Afrika. Zeventig jaar heeft haar jeugdalbum over de wereld gezworven.

Mevrouw Duif is een van de gelukkigen die haar verloren gewaande jeugdalbum terugkreeg. In het Amsterdamse Tropenmuseum wachten ruim driehonderd albums met duizenden foto’s op hun eigenaar. De albums zijn „verweesd”, zoals conservator Pim Westerkamp zegt. Op digitale wijze zijn ze openbaar gemaakt en kunnen wereldwijd worden ingezien. Het omvangrijke project heet Foto zoekt familie. Westerkamp: „Het is nu of nooit. Veel mensen uit het voormalige Indië zijn oud of leven niet meer. Wij zijn op zoek naar de rechthebbenden.”

Het verhaal van het album van mevrouw Duif begint op Kerstavond, 1938. Als meisje van twaalf kregen zij en haar vriendin Nora Hajema het van Hotel Anita Hoeve, ten noorden van Bandoeng, als souvenir. Ze vulde het album met foto’s van het hotel aan met eigen foto’s van het voormalige Nederlands-Indië.

In de tijd van het vooroorlogse tropenleven in „de Oost” waren er vele van zulke albums, gevuld met kiekjes van het alledaagse leven van de blanke Europese bevolking. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en kwamen de Nederlanders terecht in Japanse interneringskampen. Dat overkwam ook Lies en Noor. Lies was zeventien. Na verloop van tijd beval de Japanse leiding de kampbewoners alle persoonlijke bezittingen in te leveren. Lies moest haar fotoboek afstaan, anders zou ze „slaag of erger krijgen”, zoals haar moeder zei, met wie ze in een vrouwenkamp bij Bandoeng verbleef.

Conservator Westerkamp, verantwoordelijk voor de afdeling Zuidoost-Azië van het Tropenmuseum, legt uit: „De Japanners verboden het maken van dagboeken of getuigenissen en censureerden elk contact met de buitenwereld. In albums en op de achterkant van foto’s kon je schrijven.” Lies Duif dacht dat haar album voorgoed verloren was. Ze kon niet vermoeden dat het na de oorlog terecht was gekomen tussen de vele duizenden persoonlijke geschriften die het Rode Kruis had verzameld en per schip getransporteerd naar Nederland. Alles kwam terecht in het depot van het Tropenmuseum aan de Amsterdamse Mauritskade, destijds Indisch Instituut genoemd.

De vrijwilligster Marie Jeanne Hillerström ontfermde zich erover en organiseerde in de jaren 1949-1950 kijkdagen in Amsterdam, Haarlem en Den Haag. Op foto’s is te zien hoe mensen speuren tussen allerlei particuliere papieren en spullen, bijeengebracht in kratten of uitgestald op schragen. „Ze willen graag hun leven van vroeger terugvinden’, zoals Westerkamp het formuleert. Op deze manier kwamen uit de verzameling van ruim duizend albums, die Collectie Hillerström is gaan heten, ruim zeshonderd albums terug bij de eigenaar. In de jaren vijftig en zestig verflauwde de belangstelling.

Conservator Westerkamp herontdekte de verzameling en bedacht, samen historicus Frank Meijer, het project Foto zoekt familie. Meijer vult aan: „We begonnen met het digitaliseren en op internet plaatsen van slechts enkele fotoalbums. Vanaf 1 april staan alle albums online, integraal, blad na blad. We voegen aan de albums sleutelwoorden toe om het zoeken te vergemakkelijken, zoals voornamen die in de albums staan, plaatsnamen en data. Dankzij crowdfunding, vooral met bijdragen uit de Nederlands-Indische gemeenschap, was het mogelijk een app te ontwikkelen. Iedereen kan nu kennis nemen van de foto’s en antwoord geven op de vraag, die mevrouw Hillerström ook al stelde: Wie zijn zij? Kent u deze mensen?”

Frank Meijer wil met Foto zoekt familie het „Indische culturele erfgoed behoeden voor vergetelheid”. Het idee ontstond enkele jaren geleden naar aanleiding van de fototentoonstelling Enkele reis Holland. Hij ving gesprekken op van bezoekers die langs de foto’s liepen en die familieleden en bekenden herkenden. Het bleek mogelijk, ondanks het grote verloop van tijd, intensief speurwerk te verrichten om de albums uit hun anonimiteit te bevrijden. Toen de eerste foto’s openbaar werden, herkende een nicht van mevrouw Duif haar tante in Zuid-Afrika en werd het contact gelegd. Meijer: „Dit project is meer dan het overhandigen van een album met visuele herinneringen. In ruil vragen wij aan de eigenaren of hun nazaten om verhalen over het voormalige Nederlands-Indië te vertellen en uitleg te geven bij de foto’s. Op deze manier verzamelen we oral history over het vooroorlogse Indische leven. Want dat tonen de foto’s: het gewone leven. Ze geven inzicht in de samenstelling van families, vaak blanken en Indo-Europeanen samen. We krijgen een indruk van interieurs, van kleding en het huiselijke leven. Op een foto van een klas met leerlingen aan de Kweekschool in Bandoeng zien we bijvoorbeeld een wandkaart met Ot en Sien. Zo’n detail zegt veel over het onderwijs van toen. Het valt op dat er veel foto’s zijn van Nederlanders op de tennisbaan en in het zwembad. Ook auto’s en schepen vormen een geliefd onderwerp.”

Jacob van Rijn uit Den Haag kwam dank zij Foto zoekt familie in het bezit van een bijzonder album, dat van de verlovingstijd en trouwdag van zijn ouders, Mary en Kees. Het verhaal van de vondst leest als een detective. Een belangstellende traceerde de trouwdatum die op de voorzijde van het Mary en Kees-album staat, 26 februari 1929. Onder ‘Familieberichten’ in Het Vaderland trof hij de aankondiging dat op 26 februari 1929 „te Sidoardjo getrouwd is C.J. van Rijn met M. van Campen”. Vervolgens kwam men de 82-jarige zoon Jacob van Rijn op het spoor, geboren in 1929 in Soerabaja. Voor Van Rijn onthult dit album het verhaal van zijn ouders voor zijn geboorte. Hij zegt: „De vondst roept vooral vragen op: hoe komt zo’n album ineens bij mij terecht, waar heeft het bijna driekwart eeuw rondgeslingerd? Heeft mijn moeder het meegesleept naar het kamp in Bandoeng, waar zij was geïnterneerd? Of komt het uit hun huis in Soerabaja? Daar werkte mijn vader als procuratiehouder bij de Algemeene Nederlandsche-Indische Electriciteits-Maatschappij.” Jacob van Rijn vindt het „vermakelijk” dat hij het album bezit: „Ik denk er vooral abstract over. Allereerst verbaast het me dat mijn moeder, een echte Zeeuwse uit Goes, ergens in Indië mijn vader heeft ontmoet, een ras-Amsterdammer uit de Jordaan. Mijn moeder volgde in Dresden conservatorium en zong voor de Nederlandsch-Indische Radio Omroep Maatschappij. Ik ben hun enig kind. Als ik het teruggevonden album doorblader, besef ik eens te meer dat ik een Aziaat ben, geboren uit Nederlandse ouders.”

Voor mevrouw Duif roept het album een stroom van herinneringen op. Ze ziet zichzelf weer met het cameraatje, dat ze voor fl. 1,50 in Indië kocht, foto’s maken. De hartsvriendinnen Lies en Noor fotografeerden elkaar veelvuldig. „Vlak na de bevrijding uit het Japanse kamp zag ik Nora terug. Ze lag op het gras. Ze zag er slecht uit. ‘Ik ben verrot vanbinnen’, zei ze. Kort daarop is ze overleden. Gelukkig leeft ze verder in mijn album en kan ik haar portret, en dat van mij van heel lang geleden, aan mijn kinderen en kleinkinderen laten zien. Dat betekenen de foto’s in dit album – ze geven mijn verleden terug.”

Foto zoekt familie. Koninklijk Instituut voor de Tropen: tropenmuseum.nl; javapost.nl. Mailadres: fotozoektfamilie@kit.nl