Column

Ook de beste argumenten schieten soms tekort

Met het debat over de Europese Unie, en trouwens met wel meer debatten, is iets vreemds aan de hand. Voor- en tegenstanders zijn voortdurend met elkaar in de slag, ze brengen redelijke argumenten naar voren, bestrijden die van de ander, komen met nieuwe argumenten, met actuele gebeurtenissen die hun positie ondersteunen of die van hun rivaal ondergraven… en ondanks al die inspanning, ondanks al die intelligente betogen, is de uitkomst maar zelden dat een van de gesprekspartners zich op zeker moment gewonnen geeft en zegt: Oké, eigenlijk heb je gelijk, je argumenten hebben me overtuigd, ik schaar me aan jouw kant.

Vooral mensen die erg vol zijn van hun eigen gelijk kunnen daar slecht tegen. En het ís ook frustrerend. Zelf heb je allemaal redelijke argumenten, waar goed beschouwd geen speld tussen te krijgen is, terwijl de tegenpartij maar blijft vasthouden aan afgesleten propagandapraatjes en aantoonbare onzin. Alsof ze niet wíllen luisteren. Alsof hun politieke stellingname niet de uitkomst is van redelijk denken, maar het gevolg van een onwrikbare, bijna religieuze overtuiging. Dat verwijt wordt soms ook letterlijk gemaakt: het hele Europese project bijvoorbeeld, zou voor de voorstanders uiteindelijk niets anders zijn dan een religie.

Een Amerikaanse politicoloog publiceerde vorig jaar een onderzoek naar de kracht van redelijke argumenten tegen de achtergrond van raciale vooroordelen. Deze Michael Tesler liet zien dat onder conservatieve blanke kiezers het verzet tegen de plannen van Obama voor hervorming van de gezondheidszorg niet alleen groot was, maar ook groter dan je zou mogen verwachten op basis van de percentages die in de jaren negentig achter de hervormingsplannen van Bill Clinton stonden. Voor sommige kiezers waren de hervormingen prima, zolang ze maar niet van Obama kwamen. Het woord racisme gebruikte Tesler niet, maar hij concludeerde wel dat er ‘raciale attitudes’ in het spel waren die politieke overwegingen verdrongen.

Interessanter werd het nadat hij zijn onderzoek had uitgebreid met een vraag over de buitenlandse politiek. Toen bleek dat ook blanken met liberale opvattingen over raciale kwesties heel anders oordeelden over beleid als ze wisten dat het van Obama afkomstig was.

Wat vindt u van liquidaties van terreurverdachten, werd deze groep gevraagd. Slechts 27 procent was er voor – tot hen verteld werd dat dit het beleid van Obama was. Toen bleek opeens 48 procent voor.

Kennelijk lopen deze Amerikanen zó weg met hun president dat ze hun eigen oordeel over grote kwesties opzij schuiven om maar achter hem te kunnen blijven staan. Maken zij zich schuldig aan een soort omgekeerd racisme, waarbij een zwarte president geen kwaad kan doen? Of is er iets anders aan de hand?

Dat laatste oppert de conservatieve columnist Christopher Caldwell. Dat mensen anders oordelen over beleid als ze weten uit wiens koker het komt is helemaal niet hypocriet, zegt hij, het is gewoon „een eerlijke beschrijving van hoe de meeste mensen stemmen”. Ze sluiten zich niet pas aan bij een partij, een kandidaat of een bepaalde zaak nadat ze eerst hebben gekeken waar hun eigen opvattingen het beste bij aansluiten. Meestal gaat het andersom: mensen voelen zich verwant aan een bepaalde groep of hebben vertrouwen in een bepaalde kandidaat, en ontwikkelen op basis daarvan hun opvattingen. Het is bijna, zegt Caldwell, als bij een religie.

Is dat erg? Als je een strikt rationeel mensbeeld hebt waarschijnlijk wel. Maar als je bereid bent de mens te nemen zoals hij in veel gevallen is, dan kan je begrijpen dat ook de beste argumenten niet altijd het laatste woord hebben. En dat een moeilijk vatbare grootheid als vertrouwen ook een rol speelt. Ook in het Europa-debat. De ene kant vertrouwt de pleitbezorgers van de Unie niet meer, wat ze ook zeggen. De andere voelt zich hoe dan ook niet op z’n gemak bij de eurosceptici.