Naar het depot

Als ik het station uit loop, zie ik een paal waar duidelijk iets aan ontbreekt: mijn fiets. Het moment van realisatie dat je fiets er echt niet meer staat, heeft iets lulligs: je blijft staan, kijkt om je heen, overweegt de optie dat de Korsakov nu écht heeft toegeslagen en kijkt halfslachtig in de andere rekken totdat het langzaam begint door te dringen: fiets = foetsie. Gestolen, denk ik eerst. Kruimeldieven die afgelopen nacht high van de ketamine en hoestdrank mijn fiets in hun gestolen Canta hebben gegooid om te ruilen tegen vla en sokken. Dan zie ik echter een bord van de politie: alle fout geparkeerde fietsen zullen meegenomen worden naar het Fietsendepot.

Als ik het nummer bel, blijken er de vorige dag drie fietsen van die plek te zijn binnengebracht. Twee beschrijvingen voldoen zeker niet aan mijn fiets. De derde heeft slechts als kenmerk: blauw. „Maar: smurfenblauw?”, vraag ik wanhopig. „Turquoise? Donkerblauw richting grijs? En was de beoordelend persoon misschien een middelbare man met haast en kleurenblindheid?” Zolang ik echter mijn framenummer niet kan noemen (eerste keer dat ik met het bestaan van framenummers geconfronteerd word) blijft de omschrijving: blauw. Zelf beschouw ik mijn fiets als grijs, maar er is niet bepaald ruimte voor een discussie met een kleurenwaaier in de hand. Om zeker te zijn dat het mijn fiets is, zal ik naar het Fietsendepot moeten gaan.

Het Fietsendepot: ik was er nog nooit geweest, maar het klonk als een plek waar je fietsjes die nog zijwieltjes hebben mee bang kan maken. Het duistere rijk van de met slijptollen bewapende politie-maffia, ver buiten de bewoonde wereld om de walk of shame voor de zondige foutparkeerders nog groter te maken. Er ging slechts één bus naartoe.

Als ik aankom bij het depot worden mijn visioenen werkelijkheid: het lijkt op een soort strafkamp voor fietsen. Eindeloze rijen vergeten en eenzame fietsen in de buitenlucht, sommige nog mooi, sommige verroest, allemaal gemerkt door een feloranje bandje om hun stuur. Wanneer ik vervolgens het kantoortje inloop bereid ik me voor op het ergste: hoon, ijzingwekkende stiltes, reprimandes en een gedwongen aankoop van een set spatborden.

Maar niets is minder waar: het is er feest. De mensen achter het loket zijn uiterst vriendelijk, en bovendien heerst er een instant-kameraadschappelijkheid onder de fietsophalers: er wordt samenzweerderig bij elkaar gepolst („Ook Leidseplein?” „Nee, Amstel”), men deelt automaatkoffie uit en er worden spontaan liften terug naar de stad aangeboden. Als ik ‘het veld’ in ga om mijn mogelijke fiets te identificeren, belooft iedereen voor me te duimen.

En zodra ik vak R28 nader, zie ik hem staan: mijn fiets. Braaf, ongeschonden en best blauw, bij nader inzien. Verheugd pak ik zijn stuur – blij weer te zijn herenigd. Al kan ik iedereen aanraden zijn fiets fout te parkeren en eens een uitstapje naar het depot te maken.