Je gedragen als een paardenvleeseter

Heeft paardenvlees sporen nagelaten in de Nederlandse taal? Die vraag dringt zich op nu dit vlees al ruim twee weken het nieuws beheerst.

Sporen van paardenvlees duiken momenteel op in de meest onverwachte producten (nooit geweten dat er voldoende paarden waren om zoveel vlees te leveren), maar in onze taal is de oogst mager te noemen. Mooiste vondst: de Grote Van Dale vermeldt de uitdrukking paardenvlees gegeten hebben voor ‘druk, wild zijn, niet kunnen stilzitten’. Ik kende die uitdrukking niet, maar je ziet het meteen voor je: een dartel veulen in de wei.

Ik heb overigens niet het idee dat deze uitdrukking, die dateert uit het midden van de 19de eeuw, vaak wordt gebruikt. Door te weinig mensen om een voetbalveld mee te vullen, schat ik.

Van Dale vermeldt nog een ander paardenvleeswoord dat ik niet kende: ju. Eerste betekenis ‘uitroep om paarden en andere trekdieren aan te zetten’; tweede betekenis ‘paard’; derde betekenis ‘paardenvlees’.

„Geef de ju even aan” zou dus ook kunnen betekenen ‘geef het paardenvlees even aan’. Wáár dit zo wordt of werd gezegd, vermeldt Van Dale niet.

Men zegt hortsik ‘als aansporing tot een trekdier’, aldus Van Dale. Dit zou afkomstig zijn van het verouderde werkwoord horten (‘voortrijden’) en het tussenwerpsel sik, als verkorting van ‘zeg ik’. Het idee is dus dat men eerst zei: „Hort, zeg ik”, wat vervolgens samenklonterde tot hortsik.

Voor de goede orde: etymologie is geen harde wetenschap, er zit vaak veel giswerk bij. Voor hetzelfde geld had iemand een verband gelegd met het Engelse woord horse.

In sommige dialecten blijkt hortsik ook te worden gebruikt voor ‘paardenvlees’ of ‘rookvlees van het paard’. In die betekenis heeft het woord een andere herkomst. „Misschien een verbastering van de naam van een Amsterdamse slager, Mölscher”, vermeldt Van Dale.

Dit zou betekenen dat hortsik in de paardenvleesbetekenis een eponiem is, een woord dat is afgeleid van een eigennaam. Nou heb ik in het verleden veel onderzoek naar eponiemen gedaan, maar deze verklaring ben ik nooit tegengekomen. De stap van Mölscher naar hortsik lijkt mij erg groot. Bovendien kan ik geen enkele Amsterdamse slager of paardenslager Mölscher vinden. Sterker, Mölscher blijkt een zeldzame familienaam.

Heeft paardenvlees nog meer taalsporen nagelaten? Ja, een bepaalde harde en fijne Amerikaanse houtsoort wordt wel paardenvleeshout genoemd. Volgens onze woordenboeken „wegens de gelijkenis met rauw vlees”.

En dan heb je nog het woord paardenvleeseter voor ‘druktemaker’. Dit gaat terug op bovengenoemde uitdrukking – over het dartele veulen.

Tot slot nog twee ‘geleerde’ woorden: hippophaag voor ‘paardenvleeseter’ en hippophagie voor ‘het eten van paardenvlees’. In oude kranten duiken deze woorden vanaf 1842 in ruim dertig berichten op. Die krantenartikelen maken duidelijk dat het taboe op het eten van paardenvlees al ruim anderhalve eeuw oud is, ook in Nederland.

Net als het tegenargument trouwens, dat voor de weerzin tegen paardenvlees geen rationele gronden zijn. Zo meldde het Tijdschrift voor Nijverheid in 1843: „Dat de afschuw, welke men meerendeels van paardenvleesch heeft, ongegrond is, en dat men niet wel doet, dit bruikbaar voedselmiddel zoo geheel en al te verwaarlozen, als thans meest overal geschiedt.”

Die weerzin is dus geen recent gevolg van toegenomen welvaart, zoals sommigen denken. Er zijn in de 19de eeuw diverse malen ‘paardenvleesfeesten’ georganiseerd om de consumptie ervan te bevorderen, maar zonder succes.

Taalhistoricus en journalist Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.