Ik zit hier maar, mijn lijf wil het niet opgeven

De Levenseindekliniek bestaat één jaar. De kliniek helpt mensen te sterven, waar andere artsen geen euthanasie willen uitvoeren. „We zijn er omdat mensen anders in de kou staan.”

Soms is het moment van handelen moeilijk te kiezen, zegt Sjef Boesten (63), arts bij de Levenseindekliniek. Bijvoorbeeld bij een vrouw van 57 jaar met uitgezaaide kanker. Hij kwam binnen met de euthanatica, kreeg koffie en gaf nog wat uitleg aan de schoonzoons van de vrouw. „Op een gegeven moment moet je dan naar de keuken lopen en de spuit gaan vullen”, zegt Boesten. „Ik dacht: hoe ga ik dat doen.” De vrouw hielp hem. „Ze zei: je hebt je koffie op. Begin nu maar.”

Als eerste land ter wereld kreeg Nederland een jaar geleden een Levenseindekliniek, voor dood op verzoek. Het is geen kliniek met bedden waar patiënten verblijven, maar een bureau dat teams in het land coördineert, bestaande uit een arts en een verpleegkundige. Zij voeren euthanasie uit bij mensen die voldoen aan de wettelijke criteria, maar van wie de eigen arts die toch niet wil uitvoeren.

In het eerste jaar meldden zich 714 mensen aan bij de kliniek, 270 mannen en 444 vrouwen. Van hen stierven er 104 door euthanasie (waarbij de arts een dodelijk middel toedient) of hulp bij zelfdoding (waarbij de patiënt het middel zelf tot zich neemt). In 51 van deze gevallen verleenden teams van de Levenseindekliniek de stervenshulp, 53 keer was de eigen arts van de patiënt er toch nog toe bereid. De kliniek wees 198 aanvragen af. 107 mensen stierven voor zij konden worden geholpen.

Weekenddepressie

In het begin stond de telefoon roodgloeiend. Nu ontvangt de kliniek gemiddeld 50 à 60 aanmeldingen per maand. Mensen bellen vaak in paniek, zegt Yvon van Baalen (56), een van de vier verpleegkundigen die de telefoon opneemt. „Omdat ze net een slechtnieuwsgesprek hebben gehad over een ongeneeslijke ziekte. Of omdat een van hun ouders een beroerte heeft gehad. ‘Dit wil hij of zij niet. Wat moeten we doen.’” Er bellen ook ‘shoppers’, zegt ze. „Mensen met psychische problemen die nooit een intensieve behandeling hebben afgemaakt en willen dat wij het dan maar oplossen.” Of mensen met een „weekenddepressie”, al melden die zich meestal via internet aan. „Je ziet het al aan het tijdstip van verzenden. Ze zitten achter hun computer in de nacht van zaterdag op zondag en ze komen er niet meer uit.”

Iedereen die zich aanmeldt moet toestemming geven voor het opvragen van zijn medisch dossier. Als mensen voor euthanasie in aanmerking lijken te komen, wijzen de verpleegkundigen hen toe aan een van de teams in het land. De arts en verpleegkundige van dat team voeren vier à vijf gesprekken van ongeveer anderhalf uur met de patiënt en diens naasten. Dan wordt nog een zogeheten SCEN-arts geraadpleegd voor de wettelijk verplichte, onafhankelijke second opinion. (SCEN: Steun en Consultatie voor Euthanasie in Nederland).

De artsen van de Levenseindekliniek laten mensen sterven die andere artsen niet willen laten sterven. Toch opereert de Levenseindekliniek binnen de wet. De toetsingscommissies voor euthanasie beoordeelden de eerste 26 gevallen van euthanasie die de kliniek uitvoerde als ‘zorgvuldig’. De kliniek wil nadrukkelijk niet de grenzen van de wet oprekken, want dan worden haar werkzaamheden illegaal.

Volgens Sjef Boesten scheiden de wegen met andere artsen zich het vaakst op de definitie van ‘ondraaglijk lijden’. Hij denkt dat artsen bijscholing nodig hebben op dit punt. „Een collega-huisarts zei: als ik mijn meetlat er langs leg, is dit lijden nog niet uitzichtloos en ondraaglijk. Maar het gaat niet om mijn meetlat. Het gaat om zijn meetlat, die van de patiënt.” Een andere arts vond de euthanasiewens van een patiënt die nog een Rijnreisje ging maken om die reden niet geloofwaardig. „Dat was iemand met ms die de laatste jaren van zijn leven niet in een verpleeghuis wilde doorbrengen. Voor mij is het invoelbaar dat er dan toch sprake is van ondraaglijk lijden.”

De wettelijke criteria zijn een harde grens, dus de Levenseindekliniek wijst ook aanvragen af. Dat kost moeite, zegt directeur Steven Pleiter. „We zijn er omdat mensen anders in de kou staan. Elke keer dat je moet zeggen: ‘toch niet’ is heel erg moeilijk.” Yvon van Baalen: „Vooral bij mensen op hoge leeftijd die zeggen: ik zit hier maar, dag in dag uit. Mijn lijf wil het niet opgeven.” Voor haar staat vast dat deze eenzame, oude mensen wel degelijk ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Maar de wet staat euthanasie bij mensen die min of meer gezond zijn, niet toe. „Daar zit een pijnpunt voor de maatschappij. En ook voor ons. Ik moet tegen die mensen zeggen dat ik het wel snap, maar gewoon niets voor hen kan betekenen.”

Euthanasie bij oude mensen is wel toegestaan als ze lijden aan ‘een opeenstapeling van ouderdomskwalen’. Maar sommige artsen denken dat het einde zoek is als ze zulke mensen gaan helpen met sterven. Sjef Boesten: „Een arts zei: ‘als ik daaraan begin, heb ik binnenkort niets anders meer te doen’. Maar niet alle mensen vragen om euthanasie. Tachtig procent lijdt zijn lijden tot het einde toe.” Het is een bepaalde type mens dat euthanasie wenst, zegt ook verpleegkundige Yvon van Baalen. „Mensen die sterk hechten aan hun zelfstandigheid. Voor wie het een angstbeeld is alles in te leveren wat je in je leven bent geweest.”

‘Dan hang ik me wel op’

Soms worden mensen boos als de Levenseindekliniek hen niet wil helpen. Soms dreigen ze dan maar zichzelf van het leven te beroven. Van Baalen: „‘Dan hang ik me wel op.’ ‘Dan gooi ik mezelf wel voor de trein.’ Wij zeggen altijd: ik zou het niet doen, maar het blijft je eigen keuze.” Eén psychiatrische patiënt, een vrouw van in de vijftig, voerde het dreigement uit. ’s Ochtends had ze nog gemaild met de Levenseindekliniek, ’s middags pleegde ze zelfmoord. Ze was niet definitief afgewezen, maar viel niet binnen de wettelijke criteria omdat er nog behandelmogelijkheden waren. „We hadden er veel tijd aan besteed om met haar mee te denken”, zegt Van Baalen. „Ik vond het zo zonde dat ze het niet heeft kunnen volhouden.”

Dat was een slechte dag. Maar meestal vindt Van Baalen het werk voor de Levenseindekliniek niet zwaar. Er valt veel te lachen, zelfs rond de euthanasie zelf. Ze herinnert zich een vrouw die op de ochtend van haar euthanasie tegen haar kinderen riep: „En nu stil, want nu kan ík nog praten.” Van Baalen: „Vaak is de patiënt al veel langer aan het onthechten van het leven, zonder dat wij dat kunnen invoelen. Hij ligt altijd een paar stappen voor. Het is mooi geweest, het is klaar. Ik ben eraan toe.”