De shi'ieten willen nu terugslaan

In Karachi kwamen gisteren weer 45 shi’ieten om bij een aanslag. Zij zijn het doelwit van sunnitische extremisten. Het geweld wordt groter.

„Mijn God”, fluistert Talat Hussain, als de tweede explosie klinkt, „niet opnieuw.” Hij grijpt zijn telefoon en belt zijn zoon, die vanavond een vriend zou gaan bezoeken in een van Karachi’s onveilige buitenwijken. „Je keert om, hoor je. Misschien breken er straks gevechten uit.”

Zomaar een avond in Karachi. Een gesprek met film- en toneelacteur Talat Hussain (68), een nationale beroemdheid, over Pakistaanse kunst neemt een onverwachte wending door een grote aanslag op een shi’itische moskee in de wijk Abbas Town.

Ongeveer een half uur na de klappen verschijnen de eerste beelden op de onafhankelijke nieuwszenders. De dubbele bomaanslag heeft de puien van twee appartementencomplexen weggeslagen. Er woeden branden. Schimmen zijn druk bezig puin te verplaatsen, verscheurde mensen worden weggedragen. Zwaarbewapende politie-eenheden grendelen de wijk af. Uiteindelijk blijken er 45 doden te zijn gevallen en 150 gewonden.

Karachi is Pakistans grootste stad en commerciële centrum. Met zijn bonte verzameling van etnische groepen en religies is de stad een microkosmos van de complexe Pakistaanse samenleving. Verschillende etnische groepen voeren er straatoorlogen over politieke en criminele belangen. Die twee categorieën gaan vaak samen in de 18 miljoen inwoners tellende havenstad aan de Arabische Zee. Bij deze aanslag gaat het echter om een strijd die zo langzamerhand alle andere overheerst: terreuraanvallen van sunnitische extremisten op de shi’itische gemeenschap. De aanslagen vinden in heel Pakistan plaats. In december en januari kwamen bijna 200 shi’itische Hazara om bij bomaanslagen in Quetta. In november werd Karachi’s Abbas Town al eens aangevallen, en door moordaanslagen, vaak vanaf motorfietsen, werden vorig jaar alleen al in Karachi ruim 80 prominente shi’ieten gedood. In 2012 vermoordden extremisten in heel Pakistan zo'n 400 shi’ ieten.

De aanslagen worden vaak opgeëist door Lashkar-e-Janghvi, een strijdgroep gelieerd aan al-Qaeda en de Talibaan die het speciaal voorzien heeft op niet-moslims en op shi’ieten, die ze beschouwen als ketters. Sinds 2002 kwamen volgens de overheid al 1.500 shi’ieten bij terreuraanvallen om het leven, waarvan alleen vorig jaar al 400.

„De situatie was nog nooit zo slecht als onder deze democratische regering”, meent Hussain. Het extremisme grijpt om zich heen omdat onder burgerlijk bestuur het openbaar onderwijs werd verwaarloosd, denk hij. Khurram Sohail (30), een schrijver die het gesprek ook bijwoont, weigert zijn geteisterde stad te verlaten, ook al heeft hij vier weken geleden een dochtertje gekregen. „Ik leef in een wereld van cultuur, en die is heel rijk in Karachi.”

Over één ding zijn de acteur en de schrijver, beiden sunniet, het roerend eens: ze laten zich niet voor het karretje van de extremisten spannen, die uit zijn op een burgeroorlog.

De aanvallen op shi’ieten zijn zo intens geworden, dat sommigen hebben besloten terug te vechten. Niet alleen in Quetta, ook in Karachi dreigt dat gevaar, zegt een shi’itische activist, die anoniem wil blijven. Hij wijst erop dat steeds vaker radicale sunnitische geestelijken worden doodgeschoten, zonder dat die aanslagen worden opgeëist. „Ik keur het niet goed. Maar we kunnen niet vertrouwen op de veiligheidsdiensten van de overheid. Er is een shi’itische traditie van zelfverdediging. Onze jongeren weten dat. En een kalasjnikov kost hier maar 150 dollar.”