'Dagen van 16 uur, ik mis het enorm'

Voormalig

FNV-voorzitter

Agnes Jongerius spreekt voor het eerst over de stand van het polderoverleg. „Het probleem is vooral dat Asscher geen mandaat heeft.”

Het is 11.00 uur ‘s ochtends als ze het onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit van Utrecht binnenstapt. Haar nieuwe werkgever voor twee dagen per week. Ze oogt ontspannen en uitgeslapen. „Ik kom net uit de sportschool”, zegt ze opgewekt. Dan: „Dit is zo’n ander leven dat ik nu leid.” Het klinkt alsof ze zichzelf er nog van moet overtuigen dat het echt voorbij is, haar voorzitterschap van de grootste vakcentrale van Nederland, de FNV.

Vorig jaar zomer nam Jongerius (52) afscheid van de enige werkgever die ze ooit had, diezelfde FNV. Haar positie was onhoudbaar geworden nadat het door haar gesloten pensioenakkoord met werkgevers en kabinet intern een richtingenstrijd ontketende. Echt gewend aan haar nieuwe leven is ze nog niet. „Ik mis het enorm”, bekent ze. „Het is een flow, dat altijd maar doorgaan. Lekker. Haast verslavend. Je mag er met je grote neus bijzitten. Meedoen.” Twinkeling in de ogen. „Terwijl je weet dat het niet gezond is natuurlijk.” Ze maakte dagen van zestien uur, sliep geregeld niet meer dan vijf uur per nacht.

Wat ze niet mist is „de herhaling van zetten”. „Dan kwam ik voor de zoveelste keer uitleggen waarom het niet goed is om het ontslagrecht te versoepelen, verwijzend naar steeds hetzelfde onderzoek waaruit blijkt het niet werkt. Het is goed als een nieuwe generatie zich de materie eigen kan maken en zich er met driehonderd procent voor in wil inzetten. Ik was daar wel klaar mee.” Haar nieuwe leven in de luwte heeft haar namelijk nog iets anders doen beseffen. En dat is de beperkte invloed die je op de dingen kunt uitoefenen. „Het is ook de leeftijd. Je wordt bescheidener in de mate waarin je denkt de wereld naar je hand te kunnen zetten.”

Maar u heeft toch als FNV-voorzitter bij uitstek een positie bereikt waarin je juist wel je invloed kan laten gelden. Bent u daar dan teleurgesteld over?

Stilte. „Toen ik jong was dacht ik dat ik de wereld volledig naar mijn hand kon zetten. Overigens, als iemand mij op mijn achttiende had gezegd dat ik FNV-voorzitter zou worden dan had ik dat niet geloofd. In de echte wereld blijkt het anders te werken. De maatschappij heeft nu de neiging om alleen maar voor het eigen belang op te komen. Terwijl de collectieve oplossing voor iedereen het beste is. Als je ouder wordt, heb je de onderhuidse mechanismen beter door. Je ziet beter hoe weinig invloed je daar eigenlijk als individu op hebt. Daarmee wil ik niet zeggen dat het niet uitmaakt of je je best doet. Want als je buurvrouw ziek wordt en je helpt haar, dan maakt het wél uit. Maar ik realiseer me nu dat je niet alle touwtjes in handen kunt hebben.”

Toen u een akkoord sloot over de toekomst van ons pensioenstelsel kreeg u uw achterban over zich heen. Heeft Ton Heerts het nu gemakkelijker, in de onderhandelingen met werkgevers en kabinet?

„Ja en nee. Hij heeft het makkelijker omdat er een ledenparlement is aangetreden waar hij direct zaken mee kan doen. Hij is niet meer afhankelijk van hoe de verschillende voorzitters met hun bonden het gesprek voeren. Ik wist als voorzitter niet wat er in al die bondsraden gebeurde, hoe de voorzitters met wie ik te maken had in de federatieraad mijn boodschap vertaalden. Heerts kan zich in het ledenparlement rechtstreeks tot de leden richten. Dat is een groot winstpunt. Maar het lastige is de veelheid aan onderwerpen die voorliggen. Het gaat niet alleen over pensioen, zoals destijds voor mij gold, maar het is én, én, én. Dat maakt het extreem moeilijk.”

Kan Heerts wel onderhandelen als zijn achterban hem vandaag verbiedt om over WW en ontslagrecht te praten?

„De vakbond kan het zich niet veroorloven om niet naar Den Haag te gaan. Bovendien zie ik ruimte ontstaan bij de PvdA-fractie. Die zien ook in dat je nu niet aan WW- en ontslagrecht moet komen.”

Onder welke voorwaarden kan er toch een akkoord komen?

„Het is vrijwel kansloos dat er een groot alomvattend akkoord tot stand komt. Maar dat heeft niet zo zeer met de FNV te maken. Het probleem is vooral dat minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) geen mandaat heeft. Dat inzicht kreeg ik onlangs dankzij mijn collega’s Maarten Prak en Jan Luyten van Zanden, hier op het instituut. Zij komen vandaag met een historische studie: ‘Nederland en het poldermodel’. Uit duizend jaar Nederlandse geschiedenis blijkt dat het beslechten van sociale conflicten door afspraken tussen politiek en maatschappelijk middenveld ons tot de meest welvarende landen ter wereld heeft gemaakt. Terugkijkend zie je ook dat het voor ons land zo kenmerkende polderoverleg alleen succesvol is als de staat zich als spelverdeler opstelt. Die moet knopen kunnen doorhakken als het moeilijk wordt. Asscher zou die rol nu op zich moeten nemen, maar dat kan hij niet. Hij heeft bij voorbaat geen rugdekking in de Eerste Kamer dus draaien kabinet en sociale partners nu in pirouetjes langs elkaar. Het zijn net dansende prinsesjes. Dan had het vorige minderheidskabinet had het makkelijker, toen er een deal moest komen over de pensioenen. Nu is er geen oppositiepartij die haar steun zal uitspreken voor een allesomvattende deal. Daarvoor lopen de onderwerpen te veel uit een. De meest geslaagde uitkomst is als het Asscher lukt zou lukken? om op onderdelen deelakkoorden te bereiken.”

Op welke terreinen ziet u die deelakkoorden voor zich?

„Het lijkt het makkelijkst om overeenstemming te bereiken op de onderwerpen die de overheid geen geld kosten. Dan kom je algauw uit op een deal over de arbeidsmarkt waarbij de doorgeschoten flexibilisering wordt aangepakt en we iets verzinnen voor het ontslagrecht. Een betere balans op de arbeidsmarkt is noodzakelijk, dat zien alle partijen wel in. Toch zijn er ideologische problemen. De wens van de vakbeweging om een maximum te stellen aan het aantal flexwerkers, raakt aan de vrijheid die bedrijven ervaren in hun aannamebeleid. Ook zie ik mogelijkheden rond de participatiewet. De overheid kan haar ambitie om bijna alle arbeidsgehandicapten bij bedrijven onder te brengen nooit in haar eentje waarmaken. Bedrijven moeten zich openstellen voor deze groepen, maar als overheid moet je ook niet moeilijk doen als het niet gaat lukken. Daar moet je beschutte werkplekken voor achter de hand houden. Verder moet je ook kunnen afspreken dat je het op onderdelen met elkaar oneens blijft. Helemaal niets bereiken is voor de vakbeweging geen optie want dat kost werkgelegenheid.”

Uw rivaal in de pensioenvete binnen de FNV, Bondgenoten-voorzitter Henk van der Kolk, met wie u samen zou opstappen, kondigde onlangs aan verbonden te blijven aan de FNV. Sluit u een terugkeer uit?

„Absoluut. Je moet vooruitkijken. Ik heb nog 15 jaar aan werkend leven voor me. Dan is het toch absurd dat je voor de arbeidsmarkt zou zijn afgeschreven? Ik heb het gevoel dat ik even niet heb opgelet en opeens 52 bleek te zijn. Maar wat ik later wil worden weet ik nog steeds niet.”