Nationaal gevoel

Wedden dat er een comité aan te pas kwam? Ter gelegenheid van de troonsbestijging van Willem-Alexander krijgt ieder Nederlands huishouden binnenkort het Nationale Kroningsboek toegestuurd. Dat boekje, meldt Spits, gaat niet over glorie van de monarchie, maar is gevuld met „toekomstdromen van Nederlanders.” Ik was even weg, misschien heb ik de omslag gemist, maar ik had de indruk dat er in Nederland tegenwoordig niet veel over de toekomst wordt gedroomd.

Pas als je gestigmatiseerd wordt hoor je er hier echt bij

Te druk met schelden op het heden.

„Zitten we daar wel allemaal op te wachten?” vraagt Spits zich dan ook retorisch af. Nee, lees maar op Twitter – „Kan ik mij alvast afmelden voor dat kroningsboek dat iedereen gratis krijgt? Scheelt tenslotte weer wat in de kosten!” En: „Heeft iemand al een IK WIL DAT KRONINGSBOEK NIET MAFFE GELDVERSPILLERS sticker gemaakt?”

Naïeve blijmoedigheid tegenover infantiele recalcitrantie – wie een sociale geschiedenis van Nederland over de afgelopen veertig jaar wil schrijven, komt met die samenvatting een heel eind. Komende maanden gaan mensen proberen de monarchie te vieren als een feest voor iedereen. En er gaan mensen heel hard op de monarchie schelden. Of nog Hollandser, klagen dat er niet genoeg gescholden wordt op de monarchie.

Tel het bij elkaar op en je beseft dat het goed zit met het nationale gevoel. Dit land valt nooit uiteen. Dit land weerstaat de golven van globalisering en immigratie. We hebben elkaar veel te hard nodig – om uit te schelden, om schande van te spreken, te bedreigen of gewoon keihard de maat te nemen.

Zelfs het Marokkanenprobleem doet verdacht Hollands aan. In een brandbrief, die werd ondertekend door een kleine negentig Marokkaanse organisaties, wordt de Tweede Kamer deze week opgeroepen in het komende debat te benadrukken dat die Marokkanen in de derde generatie gewoon Nederlanders zijn – en dat het bovendien met veel Marokkanen wel goed gaat.

Een kleine negentig organisaties.

Dat lijkt me pas echt een probleem – die Hollandse neiging om voor iedere sociale scheefgroei een werkgroep of platform op te richten, zwaar gesubsidieerde organisaties die vervolgens bureaucratiseren en het contact met de achterban verliezen – uh, welk contact? Het stikt in dit land van de vertegenwoordigers. En niemand die zich vertegenwoordigd voelt. Volgens mij heeft heel Marokko zelf amper negentig organisaties.

Was ik een goed boerende Nederlandse Marokkaan, ik zou me over dat debat geen zorgen maken. Pas als je gestigmatiseerd wordt, hoor je er hier echt bij. En ook dit probleem wordt uiteindelijk doodgeluld in ons nationale parlement. Zelfs Wilders zal er geen garen bij spinnen. Hij heeft het zelf geloof ik nog niet door, maar de PVV heeft een nieuwe, frisse leider nodig. Zelfs bange bejaarden zijn op hem uitgekeken. Je zult door Henk Krol van je troon gestoten worden.

Dat Marokkanendebat zal weer vooral gaan over benoemen. Iedereen benoemt. Alleen benoemt iedereen iets anders. Het wordt een volslagen Hollandse aangelegenheid.

In 1882 vroeg de Franse denker en historicus Ernest Renan zich in een beroemd geworden lezing af wat dat eigenlijk was, een natie. In zijn betoog, waarvan zojuist een nieuwe vertaling is uitgegeven door opinieblad Elsevier, rekent Renan hard af met het idee van de natie als lotsbestemming, zo geliefd bij negentiende-eeuwse nationalisten – en nu opnieuw gekoesterd door neonationalisten met hun anti-Europa obsessie. Ook cultuurfundi’s krijgen een pets. „Bij overdrijving hiervan, sluit men zich op binnen zijn afgebakende cultuur, die voor nationaal gehouden wordt; dit is zelfbeperking, men plaatst zichzelf in een hokje. Men verlaat de frisse lucht die men inademt op het wijde veld van de mensheid, om zich af te zonderen en zich louter te beperken tot zijn landgenoten. Niets is slechter voor de geest; niets is schadelijker voor de beschaving.”

Tegelijk – en dat maakt Renans betoog nog actueler – dwingt de Fransman zijn lezers te erkennen dat de natie zich niet zomaar laat ontkennen. Voor blinde kosmopolieten heeft hij geen geduld. Nederland – dat hij een aantal keren als voorbeeld noemt – is voor hem een echte natie. Er is die historische vergroeidheid met elkaar, de gedeelde ervaring van eeuwen. Onmiskenbaar: we horen bij elkaar. Schrik niet, dat hoeft niet positief te zijn, we hoeven niet van elkaar te houden. Je kunt ook het gevoel hebben dat je tot elkaar veroordeeld bent. Ik noem het negatieve saamhorigheid. Juist die gaan we in dit nationale jubileumjaar hartstochtelijk vieren.