Yahoo's gelijk: thuiswerken werkt niet

Natuurlijk heeft thuiswerken zijn voordelen. Maar kunt u zich ook echt concentreren als u naar een volle wasmachine kijkt? Katie Roiphe meent van niet.

Ik begrijp volkomen de utopische fantasie van het thuiswerken: de baby slaapt in zijn wiegje in de kamer naast u, het gouden licht valt door het raam, een tajine met groenten van de boerenmarkt staat op het fornuis te pruttelen en intussen beantwoordt u e-mails en brainstormt u over ideeën – de droom van het moderne ‘connected’ leven. Maar werkt het ook zo?

Of gaat eigenlijk driekwart van uw aandacht tijdens een dringend werktelefoontje uit naar de vraag of de krijsende vandalen in de kamer naast u ergens om zullen gaan jengelen of zich koest zullen houden? Wordt een groot en onbekend deel van uw hersenen in beslag genomen door onbeduidende huishoudelijke overwegingen: is het al tijd de was uit de machine te halen en in de droger te doen? Is uw aandacht in werkelijkheid verdeeld en ligt ze onder vuur? (En laten we eerlijk zijn: de reden dat we thuis willen werken, ís ook dat we onze aandacht willen verdelen).

Als hoogleraar en schrijver die zowel thuis als in een kantoor werkt, voel ik me niet de aangewezen persoon om iets te zeggen over het beleid van ondernemingen. Maar te midden van de ophef van de laatste dagen over het besluit van president-directeur Marissa Mayer van Yahoo om werknemers niet meer thuis te laten werken, zet ik wel vraagtekens bij al het heilige moeten van weggehaalde barrières en al ons harde werken, heerlijk in onze badkuip. Ik ben er niet helemaal van overtuigd dat het huiselijk leven onbekommerd om ons heen kan gonzen terwijl we ons als een Tolstoj concentreren op de taak die ons te doen staat.

Mensen beweren dat ze even efficiënt of zelfs efficiënter thuis kunnen werken, maar efficiëntie is niet de enige maatstaf of thuiswerken een goed idee is. Het zou weleens kunnen dat onze creativiteit, onze wildere invallen vaak, of in elk geval af en toe, beter buitenshuis, in een neutralere ruimte tot stand komen. Ik weet uit ervaring dat het niet zo eenvoudig is om mijn werkgedachten naar mijn huis over te brengen. Ik weet wat het is om mijn laptop mee naar een coffeeshop te nemen, alleen maar om de gedachtenbrij van thuis af te schudden. Een van de grote denkers over de situatie van leven en werk, Virginia Woolf, stelde dat onze ideeën als zodanig subtiel, maar wezenlijk worden beïnvloed door de alledaagse, materiële omstandigheden om ons heen. In A Room of One’s Own heeft ze het over de ongrijpbare maar beslissende invloed op onze concentratie en denkniveau van schijnbaar oppervlakkige of onbenullige dingen als een maaltijd. Ze schreef dat onze ideeën ‘gekoppeld zijn aan uitgesproken materiële zaken, zoals gezondheid en geld en het huis waarin we wonen’.

Natuurlijk zullen thuiswerkers erkennen dat het een andere gemoedstoestand dan op kantoor oplevert om in ons bed, vettige handafdrukken te zien die we echt zouden moeten schoonmaken of aan een ruzie terug te denken die we in diezelfde kamer de avond ervoor hebben gehad. Een van de redenen dat kantoren moeten zijn bedacht, is om even dat huiselijke ik uit te bannen, om niet bij haar en haar muizenissen te hoeven zijn. In deze wonderlijk emotionele discussie moeten we in elk geval bereid zijn toe te geven dat het voor- en nadelen heeft om thuis te werken. Dat gemak en flexibiliteit een tegenhanger hebben in bepaalde beperkingen van de verbeelding, concurrentie om aandacht en zelfs de ontspanning en vertrouwdheid van thuis. Op een van de plekken waar ik werk, klonk deze week de kreet dat het ‘draconisch’ van Mayer is om haar medewerkers te dwingen zich naar kantoor te slepen, maar mij lijkt het niet schandalig of draconisch of ‘iets voor Mussolini’ als een bepaalde werkgever wil dat haar medewerkers op een kantoor werken.

Mij lijkt eerder dat de dromers van de technologische droom al gekregen hebben wat ze wilden: ze hebben al de volmaakte, onheilspellende vermenging van onze aandacht – waar we ook werken, of we nu naar kantoor of naar de keukentafel pendelen, de grens tussen ons beroepsleven en ons huis is in feite weggewist. We kunnen met een vriendje in bed liggen en onze baas mailen, een kind in slaap lezen en intussen een tekst van onze secretaresse afhandelen. De scheiding tussen ‘thuis’ en ‘werk’ is al grotendeels fictief. Het lijkt weleens of onze hardnekkige fantasie om ‘alles te willen’ – hoe onnozel die ook is – zich ook nog eens vertaalt in ‘alles tegelijk’ te willen hebben. Dat wil zeggen dat er op het ogenblik nog maar heel weinig plaatsen zijn waar ons werk ons niet kan vinden en maar heel weinig momenten zijn dat we niet beschikbaar zijn zowel voor werk als voor thuis. In plaats van wanhopig naar een verdere vermenging te streven, zouden we misschien juist moeten streven of verlangen naar een scheiding van werk en leven, omdat die zeldzaamheid kostbaarder is dan we denken. Wie in het geweer komt tegen Mayers gebrek aan eerbied voor ‘het evenwicht tussen leven en werk’ zou ook moeten stilstaan bij deze mogelijkheid: ‘Het evenwicht tussen leven en werk’ wordt misschien het best gediend door het werk op het werk te houden. Door de piepkleine kans te grijpen om het kantoor, de duizenden zinloze werkdetails, memo’s en muizenissen buiten ons huis te houden.

Katie Roiphe is hoogleraar aan het Arthur L. Carter Journalism Institute in New York. © 2013 Slate