Weggewassen zonden

Duizenden Ierse vrouwen zaten opgesloten in Magdalene-kloosters. De Ierse overheid heeft haar aandeel hierin nu erkend en excuses gemaakt. De nonnen nog niet. Maureen Sullivan zat er vanaf haar twaalfde. „Als ik praatte kreeg ik een klap. Als ik in bed plaste – een klap. Ik was doodsbang.”

Maureen Sullivan was twaalf toen het busje haar kwam halen. Ze was opgewonden, vertelt ze nu, bijna vijftig jaar later. Ze zou naar een internaat gaan. „Mijn moeder had nieuwe boeken en een etui voor me gekocht. Een nieuw etui! We waren zo arm, dat ik daar nog het meest blij mee was.”

Maar er was geen nieuwe school. Maureen werd, op aanraden van de priester in het Ierse Carlow, opgesloten in een zogenoemd Magdalene-klooster. Daar werd ze gedwongen tewerkgesteld in een wasserij, net als de tienduizenden andere Ierse vrouwen die dit tussen 1922 en 1996 is overkomen. Ze waren ongewenst zwanger, opstandig, of spijbelden. Ze zouden een moreel gevaar zijn in het katholieke Ierland. Naar het voorbeeld van de bijbelse Maria Magdalena moesten ze hun zonden wegschrobben.

Vorige week bood de Ierse regering excuses aan. Premier Enda Kenny zei: „Ik spreek namens miljoenen Ieren over de hele wereld als ik zeg dat we deze vrouwen wegstopten omdat we ons geweten wegstopten. Te lang lieten we onze gewetensbezwaren verdringen door een openbaar apparaat dat ons liet vasthouden aan wat ‘fatsoenlijk’ was en ‘betamelijk’, volgens een soort morele code die in de jaren dertig, veertig en vijftig gold.”

En: „De Magdalene-wasserijen hebben een lange schaduw geworpen over de Ierse samenleving, over het idee van wie wij zijn. Dit is een nationale schande waarvoor ik diepe spijt betuig.”

Maureen Sullivan noemt het „hartverwarmend”. Maar eigenlijk wil ze excuses van de nonnen die haar haar jeugd afpakten, haar naam afnamen, haar sloegen en opsloten, haar als slaaf gebruikten. Pas in 1969, op haar achttiende, kwam ze vrij: zonder opleiding, zonder geld, zonder uitzicht.

En zonder tanden. Ze zegt het terloops. Ze heeft haar zoon Jamie net gevraagd cake te kopen voor het bezoek. Een lekkere cake moet het zijn. Zoals ook de thee sterk moet zijn. Niets mag doen denken aan het brood met jus en de aangelengde melk die ze vijf jaar lang kreeg. Geen groenten, geen vlees, geen vitaminen. „Dat is waarom al mijn tanden zijn uitgevallen.”

Maureens ‘zonde’ was dat ze misbruikt werd door haar stiefvader, en de nonnen op school erover vertelde. Hij was een gerespecteerd man in Carlow, hij had immers een weduwe met drie jonge kinderen getrouwd. Dat hij die stiefkinderen mishandelde en zijn eigen tien kinderen voortrok, werd genegeerd. „Zoals ik het me herinner, werd mijn moeder verteld dat ‘de familie’ de tweede familie was. De nonnen zeiden: wij lossen dit op, we sturen haar naar een internaat. We geven haar een goede opleiding.”

Het internaat van de Good Shepherd Sisters in New Ross, in de provincie Wexford, was echter geen school. Ze kan zich die eerste dag nog goed herinneren: „De nonnen leidden me rond door een enorme wasserij, met allemaal ongelukkige, treurige vrouwen en meisjes. Het was alsof ze geen ziel hadden. In mijn ogen waren ze oud, heel oud. En ze staarden en staarden. Ik was doodsbang.” Haar etui zag ze nooit meer.

„De non zei: vanaf nu heet je Frances. Ik zei steeds: ik heet Maureen. Maar iedere keer kreeg ik een klap.” Haar naam kreeg ze pas weer terug toen ze het klooster verliet. De werkdag begon om zes uur. De kloostergangen werden geschrobd of met boenwas ingewreven. Dan volgden de mis en het ontbijt – het brood met jus en de aangelengde melk – en tot vijf uur werken in de wasserij. Voor Maureen werd een kistje gemaakt zodat ze bij de waston kon. De kloosters deden de was voor gevangenissen, hotels, het leger.

Als ze tijdens het werk in slaap viel, werd ze geprikt met het kruis van een rozenkrans. Als ze praatte, kreeg ze een klap. Als ze te langzaam was: een klap. Als ze in bed plaste – wat Maureen uit angst en vermoeidheid deed – een klap. Als er bezoek kwam, werd ze opgesloten – haar leeftijd zou verraden dat er een leerplichtige minderjarige zat. Ze vertelt over het geschreeuw van de anderen, over luizen en haar haar dat werd kortgeknipt, over eten van de vloer omdat je zoveel honger hebt. Over de continue beledigingen, dat je niets waard was en nooit iets waard zou worden. „Je schikt je”, zegt ze. Ze herinnert zich de jurk met het kleine streepje. Maar niet de schoenen. „Hoe ik ook probeer, ik weet alleen nog dat ze pijn deden omdat ze te klein waren.”

Zwangere vrouwen heeft ze nooit gezien. „Maar ik zou ze ook niet herkend hebben. Ik dacht dat kinderen uit een kool kwamen.”

Van New Ross werd ze naar een tweede wasserij gebracht in Athy, en daarna volgde de wasserij van een blindenschool in Dublin. Ze was toen achttien. „In mijn onschuld vroeg ik of ik betaald kon worden. Dat deed de deur dicht. Mijn koffer werd gepakt en de volgende dag stond ik buiten.” Met als enige optie teruggaan „naar de plek waar ik was misbruikt”. Maar haar stiefvader maakte duidelijk dat ze ongewenst was. Haar grootmoeder nam haar op, maar was te arm om voor Maureen te zorgen. Er was maar één uitweg: geld verdienen. Ironisch genoeg vond ze werk in een wasserij. Dat was het enige wat ze lange tijd – zonder opleiding – kon krijgen.

Met het geld vluchtte ze naar Engeland. Londen was een verademing, zegt ze. Om even later te vertellen dat het verleden nooit uitgewist kan worden. „Je probeert gewoon te worden. Je verzint een verhaal over jezelf, doet net alsof je ook op een middelbare school hebt gezeten. Maar als me gevraagd werd om te lezen of schrijven, vluchtte ik.”

Het breekpunt kwam tijdens haar tweede huwelijk (echtgenoot één heeft tot zijn dood nooit van haar verleden geweten, zegt ze). „Mijn man vroeg of ik de boekhouding wilde doen. Ik probeerde er onderuit te komen, maar hij bleef het maar vragen. Ik wilde gewoon...” Ze zoekt naar woorden: „Ik wilde aan alles een eind maken. Ik heb geprobeerd een einde aan mijn leven te maken. Dat was stom, weet ik nu.”

Het gevolg was dat ze in een psychiatrisch ziekenhuis werd opgenomen en daar therapie kreeg. „Ik liep leeg.”

Haar echtgenoot verliet haar. Ze draait met haar ogen. „Hij was een Ier. Heel katholiek. Ik had een Engelsman moeten vinden.” Ze giechelt. „Voor Ieren waren – zijn – priesters en nonnen de autoriteit. Je kijkt naar ze op.” En hij schaamde zich. „Laat vooral de buren niet horen dat er iets mis is. De vuile was hang je niet buiten.”

De Magdalene-vrouwen waren bovendien ‘gevallen’ vrouwen. Dat is lang de reden geweest dat ze niet in de openbaarheid traden – al waren ze dat niet, het imago kleefde wel aan ze. Toen bijvoorbeeld in 1993 een klooster land verkocht en daar een massagraf werd gevonden, was de ophef van korte duur. De Magdalenes die er lagen, waren volgens de gangbare gedachte immers prostituees en dievegges. Hetzelfde gebeurde toen in 2003 kinderen die in de jaren zestig seksueel en fysiek misbruikt waren in internaten, schadevergoeding kregen. „Niemand wilde worden bestempeld als ‘gevallen’ vrouw. Niemand kwam naar voren.” Maureen wel. „Toen ik eenmaal aan het praten was, hield ik niet meer op.” Zo vond documentairemaker Steven O’Riordan haar. Hij zocht vrouwen die over hun ervaring wilden vertellen, en hoorde via via over Maureen. Samen met haar en een aantal lotgenoten strijdt hij nu om gerechtigheid voor de Magdalenes.

Hij vond ook het papieren bewijs dat Maureens verhaal bevestigt. Omdat ze zo jong was, ontving ze haar vormsel in het klooster, het sacrament dat gedoopte kinderen rond hun twaalfde krijgen en dat de band met de kerk moet versterken. En dat bleek vastgelegd; Maureen is daarmee een van de weinigen die kunnen aantonen in een Magdalene Laundry te hebben gezeten.

Ze heeft haar moeder vergeven dat die haar wegstuurde. „Ze geloofde met heel haar hart dat ze iets goeds deed. Ze gaf me die boeken en mijn etui.” Haar ene broer werd vervolgens naar Artane gestuurd, het beruchte internaat waar volgens een onderzoekscommissie seksueel misbruik „een chronisch probleem” was, de ander liep weg. „Ook hun leven is verwoest.”

„Mijn moeder wist niet beter”, zegt ze. Haar ‘mammy’ is ook de reden dat ze weer in Carlow woont. „Ze bleef maar vragen of ik terugkwam.” Haar stiefvader is overleden. Haar moeder, die vorig jaar stierf, heeft haar haar excuses aangeboden. De regering nu ook. Nu alleen de Good Shepherd Sisters nog.

Die lieten weten dat de wasserijen „deel van het systeem en de cultuur van die tijd” waren. „We handelden in goed vertrouwen door een toevluchtsoord te bieden, en het spijt ons zeer dat de vrouwen in de tijd die ze bij ons doorbrachten pijn en ongemak hebben ondervonden. Het doet ons pijn dat de tijd die ze bij ons waren, vaak als deel van een bredere moeilijke ervaring, zo’n traumatische invloed op het leven van deze vrouwen heeft gehad.”

Maureen schampert. „De tijd die we bij hen doorbrachten... Alsof we in een hotel verbleven waar het bed niet lekker lag. Ze zijn ons meer schuldig dan dit.”

Ze is niet langer katholiek. Komt alleen in de kerk bij een begrafenis. Ze laat een boeket zien in haar kleine woonkamer. Van de nieuwe priester, die vorige week langskwam. Het papier zit er nog omheen. Ze hoorde dat hij in de mis aan haar heeft gerefereerd. „Dat dan weer wel.”