Wat nou, bezuinigen?

Het meest gekmakende aan het debat over de bezuinigingen door de overheid, is dat er helemaal niet bezuinigd wórdt. Terwijl we al jaren horen dat de verzorgingsstaat wordt ‘uitgekleed’, de economie wordt ‘kapot bezuinigd’, er een ‘kaalslag’ plaatsvindt in de gezondheidszorg of het onderwijs, en Nederland verandert in een ‘sociale woestijn’, tonen de kale feiten en de koele cijfers een andere werkelijkheid.

We bezuinigen niet. Althans, niet op een manier die gewone burgers bezuinigen zouden noemen: namelijk minder uitgeven. De overheid gaf in 2008, toen de kredietcrisis uitbrak, 239 miljard euro uit. Dit jaar is het budget 261 miljard euro.

We praten dus al een jaar of vijf over bezuinigen, onze leiders zitten met serieuze gezichten bijeen in Catshuis- en wandelgangsessies – uiteindelijk staan in de meeste overheidsstatistieken de lijnen nog gewoon omhoog. De retoriek staat in schril contrast met de cijfers.

Ja, hallo!, zouden de financieel specialisten rond het Binnenhof zeggen. Zo werkt de overheidsbegroting nou eenmaal. Elk kabinet raamt zijn uitgaven en inkomsten voor een jaar of vier. Het is gebruik die uitgaven mee te laten groeien met de economie en de bevolking. Zodra een kabinet zijn uitgaven minder hard laat groeien dan geraamd, wordt er volgens de Haagse logica bezuinigd. Bovendien, zeggen de Haagse boekhouders, moeten de meeste bezuinigingen nog komen, want die zijn afgesproken voor de komende jaren. Neem de verhoging van de AOW-leeftijd. Die gaat pas over een paar jaar echt geld opleveren.

Het is dus niet een helemaal eerlijke voorstelling van zaken om te zeggen dat er niet bezuinigd wordt, maar het zet de kwestie wel even in perspectief. En perspectief is in een discussie waarin hele grote woorden als ‘kapot bezuinigen’ vallen wel zo fijn. Want de zogenaamde bezuinigingen van de overheid waar we nu al jaren over spreken, blijken vooral lastenverzwaringen te zijn. Dat was bij Rutte I zo en is bij Rutte II niet anders. De ingrepen à 4,3 miljard euro die het kabinet vrijdag aankondigde voor 2014 bestaan weer vooral uit belastingverhogingen.

In wat we toch wel een historische crisis mogen noemen, geeft de overheid dus al vijf jaar meer uit dan er binnenkomt, stijgt de staatsschuld van 45 procent van alles wat we verdienen naar 67 procent. En neemt de collectieve lastendruk (de verplichte afdrachten van burgers en bedrijven aan het collectief) toe van 38 naar 40 procent van alles wat we verdienen. Tja, dat voelt toch niet als een dramatisch snijden in overheidsvlees.

Het geldt voor meer plekken; als je even uitzoomt, dan zie je dat het reuze meevalt. Zo hadden we al jaren het misplaatste idee dat er in Nederland veel werd bezuinigd op onderwijs. Tot het Sociaal en Cultureel Planbureau vorig jaar droogjes uitrekende dat het budget in tien jaar met 60 procent was gestegen. Of kijk naar de kinderopvangsubsidie. Je zou kunnen denken dat ook hierin drastisch is gesneden, maar de overheid geeft er nog steeds drie keer zo veel aan uit als tien jaar geleden.

Het laat zien dat de term kapot bezuinigen voor Nederland volstrekt misplaatst is. En het laat zien dat we nog niet klaar zijn. We moeten de uitgaven van de overheid een keer gaan aanpassen aan een structureel lagere economische groei, aan een andere samenstelling van de bevolking (die vergrijst en dat is duur), en aan een gasbel die langzaam opraakt en waarvan we toch vrolijk een deel van onze sociale zekerheid betalen.

Of je het nu leuk vindt of niet: die aanpassing moet er komen – van welke economische of politieke kleur je ook bent.

Marike Stellinga schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie.