Veertigers die helaas een generatiegevoel uitdragen

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: de nieuwe bezuinigingen, Henk Krol en een vals generatiegevoel als bron van het recente bestuurlijke ongemak.

Wat begon als groots project – hervormen en uitruilen met Mark en Diederik, de nieuwe generatie – blijkt dus gewoon uit te lopen op ouderwets inschikken. Alle partijen om de tafel met Jeroen. Zoeken naar matigheid en draagvlak – en nu maar hopen dat het nog goed afloopt.

Het CDA mag vorig jaar weggevaagd zijn, en D66 amper beloond voor zijn initiërende rol in het Lenteakkoord, vijf maanden na de verkiezingen is het midden terug als de maat der Haagse dingen. Bruggen slaan. Maar dan echt.

En dus zal de komende weken wel weer blijken dat een waterig compromis voor het bestuur soms effectiever is dan een stoer besluit. Zeker nu naast de oppositie ook de polderpartners uitdrukkelijk inspraak krijgen. Rutte II als doodgewoon kabinet, ouderwets op zoek naar een brede institutionele steun, met de Oranjes als bindmiddel.

Klachten zal dit amper opleveren: het land hunkert naar een stabiel bestuur – al blijft het vreemd dat de coalitie vijf maanden bedenktijd nodig had om de hulp van de oppositie in te roepen. Nu heeft niemand de gevolgen van deze omissie nog in de hand.

Die constructieve opstelling van D66, CU en SGP bij het woonakkoord was mooi. Maar de (gepeilde) kiezer heeft eerder laten weten wat hij van meeregerende oppositiepartijen vindt – zie Jolande Sap. Dus of al het overleg (ook met een fragiele en beduchte FNV) veel stabiliteit oplevert blijft een bange vraag, hoe goed de bedoelingen ook zijn.

Eind vorig jaar maakte ik met Derk Stokmans een rondgang langs politieke leiders die in 2012 met Rutte aan de onderhandelingstafel zaten. Eén van de dingen die opviel is dat bijna al deze mensen zich zien als generatiegenoten. Een nogal diepe valkuil – al kreeg je niet het idee dat ze dit door hadden.

Het interessante was dat Rutte zelf dit generatiegevoel bij de andere leiders onder de aandacht bleek te brengen – in dat favoriete Haagse tokootje van hem, Soeboer, waar ze bier uit flessen drinken. Het sprak ze zeer aan. Het stond, vertelden ze, voor weerzin tegen het ineffectieve bestuur in de eerste tien jaar van deze eeuw. Voor aanpakken. Weg van het tactische gemanoeuvreer dat minipolitiek boven inhoudelijke vooruitgang plaatste, zodat een compromis altijd op hetzelfde uitkwam: het midden.

Dus was het logisch dat Rutte en Samsom de formatie omtoverden tot een manifestatie van besluitvaardigheid. Geen tactiekjes, elkaar iets gunnen, grootste stappen. Het is gemakkelijk hier nu raillerend over te doen, maar dit had niet alleen met Rutte en Samsom te maken: vrijwel alle leiders vonden dat de ‘nieuwe generatie’ moest afrekenen met het getalm van de vorige.

Het pijnlijke is alleen dat dit generatiedenken de plank op nogal veel niveaus misslaat. Getalsmatig klopt het nog wel. Rutte (46), Samsom (41), Pechtold (47), Buma (47), Van der Staaij (44), Wilders (49) en Slob (51) zijn veertigers of vroege vijftigers. Degenen die ervan afwijken zijn de nogal afwezige interim-baas van GroenLinks, Van Ojik (58), en uiteraard Henk Krol (62) – de enige politicus die wordt gewaardeerd om zijn hoge leeftijd.

Het generatiedenken stelt dat je vastomlijnde generaties hebt, met vergelijkbare opvattingen en gedragingen, omdat mensen in dezelfde periode opgroeiden.

Het werd populair door de Utrechtse emeritus hoogleraar sociologie Henk Becker, die in 1992 Generaties en hun kansen publiceerde, waarin hij ons allemaal indeelde: de Vooroorlogse Generatie (geboren 1910-1930), de Stille Generatie (1930-1940), de Protestgeneratie (1940-1955), de Verloren Generatie (1955-1970) – tot welke laatste de huidige politieke leiders behoren. (Voor de generatie 1970-2000 is het altijd zoeken gebleven, wat te denken had moeten geven.)

De invloed van Becker was enorm: veel media, ook deze krant (en ikzelf), vielen voor deze overzichtelijke indeling. Het lag zo voor de hand, het was zo aantrekkelijk: als je pech had lag het niet aan jezelf, maar aan de generatie waarin je opgroeide. Of aan andere generaties die jou kansen naar de knoppen hielpen. Waar lange tijd afkomst en sociale verschillen een alibi vormden, daar werd dit in de meritocratie de generatie waartoe je behoorde.

Dit staat voor een breder verschijnsel: de geïndividualiseerde mens wijt zijn probleem graag aan De Anderen. Dus dat beoefenaren van het populistische repertoire er een keer een succesvolle ouderenpartij uit zouden stampen, met dank aan VARA-populist Jan Nagel en Wiegel-leerling Henk Krol, hoefde amper te verbazen. En dat de pensioendiscussie een jongerenrespons à la G500 zou losmaken – een wonder van nuance vergeleken met Krol – was niet minder logisch.

Zo bereikte het generatiedenken op twee manieren de politiek: als identificatiemiddel voor de huidige leiders, en als vehikel voor protest van ouderen en jongeren tegen diezelfde leiders.

De ironie is alleen dat de theorie van Becker, waarop beide verschijnselen zijn gebaseerd, onder wetenschappers in diskrediet raakte. „De generatiebenadering in de sociologie is failliet”, schreef bij voorbeeld hoogleraar demografie Aart C. Liefbroer van de VU vorig jaar in Mens & Maatschappij.

Hij ontkent niet dat je geboortedatum invloed heeft op je kansen. Maar dit geldt evengoed voor maatschappelijke omwentelingen (internet, individualisering, etc.) en de levensfase van het individu. De gedachte dat mensen anders zijn omdat ze tot een afgebakende generatie behoren, is volgens Liefbroer domweg onjuist. Een „catchy idee” is het zeker, media blijven er dol op, „maar bewijs is er niet voor”, vertelde hij deze week aan de telefoon.

Rondvragen leerde me dat hij de consensus verwoordde: onderzoekers beamen dat de vastomlijnde generaties van Becker nooit hebben bestaan. Daarvoor gaan ontwikkelingen te geleidelijk, en wat meer is: maatschappelijke veranderingen, neem de uitvinding van de pil, raken alle leeftijdscategorieën. Verschillen tussen mensen worden kortom amper bepaald door de generatie waartoe zij behoren.

En zoveel verschillen zijn er niet, ook niet tussen jong en oud. Liefbroer: „Als jongeren nu zelf 65plusser waren, zouden zij in grote lijnen dezelfde opvattingen over hun pensioen hebben als babyboomers.”

Toch blijven burgers, ook ouderen en jongeren, uiterst ontvankelijk voor het geconstrueerde generatieconflict waarvan Krol zoveel profijt heeft. Maar van een conflict blijkt geen sprake, eerder van een contactstoornis.

SCP-onderzoekster Lotte Vermeij rapporteerde er uitvoerig over in het Sociaal en Cultureel Rapport van 2010. Zij laat zien dat ouderen en jongeren – op het werk, in hun buurt, in de winkel, op internet – amper nog kans hebben elkaar te treffen, ook omdat media (omroep Max, Radio 10 Gold, etc.) steeds meer aan doelgroepenbeleid doen. Zo groeit de afstand tussen oud en jong maar door, vertelde Vermeij. Jongeren staan midden in het leven, terwijl het mentale isolement van ouderen toeneemt. Moderne droefenis: meer kansen voor Krol. „Want vooral ouderen lijden onder deze trend”, zei Vermeij, zelf 41.

Het probleem is dus niet dat ouderen jongeren moedwillig benadelen. Het probleem is ook niet dat jongeren ouderen willen uitknijpen. Het probleem is dat ze elkaar niet kennen. Dus nu het kabinet toch op zoek is naar nieuwe (informele) partners zou het zin hebben als het ouderen en jongeren wist te verleiden meer contact te maken. En jongeren ervan te doordringen dat zij zich vermoedelijk hetzelfde zouden gedragen wanneer zij nu oud waren – en vice versa.

Het generatiedenken creëerde na de verkiezingen een krachtpatserij die de afgelopen weken op zijn onvermijdelijke grens stuitte. Ook dat was in feite een contactstoornis, dit keer met de Hollandse bestuurstraditie. Vanaf nu keert het streven naar consensus noodgedwongen terug: de stapjes zullen weer kleiner zijn, op getalm wordt niet meteen afgegeven. In die aloude bestuurstraditie draait het om het overbruggen van verschillen, niet om het benoemen ervan.

En wie weet – misschien komt uit de chaos van de laatste weken alsnog een stabiele coalitie voort. Met politiek leiderschap dat zelfs de energie heeft het grootste populistische gevaar van nu, Krol, te bestrijden. Dan zou het wel helpen als Mark, Diederik, Alexander, Sybrand, Arie en Kees ophielden zich te presenteren als mannen van dezelfde generatie. Niet alleen omdat het een holle frase is, maar ook omdat Henk de enige is die ze ermee helpen.