Rechters, óók een gesloten bondgenootschap

Wat blijft er op de zeef liggen als je 125 mailtjes van boze rechters leest? Vorige week had ik die kans, dankzij een bron die misschien wel vond dat ik te weinig begrip had voor de rechtersopstand. Of juist niet sceptisch genoeg was. Vult u zelf maar in. Rechters bepalen dus ook onderling de normen

Wat blijft er op de zeef liggen als je 125 mailtjes van boze rechters leest? Vorige week had ik die kans, dankzij een bron die misschien wel vond dat ik te weinig begrip had voor de rechtersopstand. Of juist niet sceptisch genoeg was. Vult u zelf maar in.

Rechters bepalen dus ook onderling de normen

In de journalistiek krijg je nu eenmaal af en toe een anonieme gift, meestal van een betrokkene. Deze post was geadresseerd aan de opstellers van het ‘manifest van Leeuwarden’ dat klaagde over bevoogding, bureaucratie en werkdruk van rechters. Vorige week werd het onderschreven door de president van de Hoge Raad. De emails onderbouwden de kritiek met vele voorbeelden. Daarbij lieten ze onverwacht ook zien hoe rechters het productiesysteem naar de eigen hand zetten – en zichzelf zo compromitteren.

Dat deed fors afbreuk aan het hooggestemde beeld dat we van de rechtspraak hebben. Het leek namelijk sterk op sjoemelen. Dat hoort niet bij een streng, normatief beroep dat gezag, onberispelijkheid en moreel aanzien claimt. Deze rechters schreven over het manipuleren van de productiecijfers door zaken samen te voegen of juist te splitsen. Er werden wel eens te weinig getuigen gehoord, maar soms ook te veel omdat er dan een intern financieel criterium gehaald werd. Budgetten voor zittingsuren werden bespeeld. Met meervoudige of enkelvoudige kamers werd gegoocheld. Alles om de doelen te halen. „What gets measured gets done”, riep een collega me na lezing vrolijk toe. Net gewone kantoormensen, die rechters. Het blijkt een cliché uit de management literatuur, uit obscure bron.

Veel rechters blijken dus omzetgedreven te werken, uit budgettair zelfbehoud. De een ziet het als dure plicht, de ander als overmacht en een derde denkt dat het van de baas zo moet. Ze produceren onder druk om hun formatie op peil te houden, hun maatschappelijke taak te doen, liefst naar eigen maatstaven. Is er ook eigenbelang? Ja, wie meedoet, heeft promotiekansen. Anderen niet.

Mijn simpele repliek dat rechters die over werkdruk klagen dat zichzelf aandoen, was dus te simpel. Ze werken te hard en manipuleren het systeem juist uit nobele motieven, begrijp ik nu. Ik moest meteen denken aan de ziekenhuizen. Daar zijn zogeheten DBC’s ingevoerd, Diagnose Behandel Combinaties, een budgettair protocol dat de kosten van medisch handelen beheersbaar moet houden. Artsen ontdekten al snel dat deze DBC’s min of meer naar eigen inzicht ‘geopend’ kunnen worden en dus ook afgerekend. En dat kostenbeheersing geen automatisme is. Ook deze geldkraan heeft een lek – er draait namelijk een mens aan. De journalistiek betrapte onlangs het ZorgSaam ziekenhuis in Terneuzen. Daar bleek het verwijderen van oorsmeer meer dan 1000 euro te kosten. En vast met de beste bedoelingen. Met die extra omzet werd veel goeds gedaan, stel ik me zo voor.

De mens past zijn moraal aan zijn sociale omgeving aan. Echt nieuw is dat niet. Het zijn allemaal varianten van ‘Erst kommt das Fressen und dan die Moral’. Waarbij onder ‘das Fressen’ behalve eigenbelang, ook hoog gestemde belangen als loyaliteit, goede zorg of tijdige rechtspraak geschaard kan worden.

Toen ik midden jaren tachtig in de dagbladjournalistiek begon, legde een redactiechef uit hoe ik mijn declaratieformulier zo kon invullen dat ik er „een beetje fatsoenlijk auto van kon rijden”. Bij iedere bezochte bestemming moest ik dan 50 tot 100 kilometer optellen. De chef legde me uit dat deze praktijk gebruikelijk was. De hoofdredactie tekende de aangedikte declaraties omdat ze ‘ook’ vonden dat jonge redacteuren te weinig verdienden. De uitgever was namelijk een vrek. Zo werden declaraties een apart inkomen.

Het systeem bespelen, normoverschrijding was onderdeel van het sociale contract op de redactie, ondervond ik zo. En of ik daarna maar een reportage wilde schrijven over die grote stad waar agenten zich schuldig maakten aan ‘Norm Afwijkend Gedrag’. Dat zogeheten ‘Naggen’ kwam neer op elkaar matsen, een beetje rommelen met de dienstauto, wat meer declareren, zelfbediening in het kledingmagazijn, etcetera. Schande, hoor. En ook nieuws natuurlijk.

Interessant aan mijn eigen organisatie was dat er tot aan de top een oogje werd dichtgeknepen. De journalistiek was een sterk bondgenootschap, waar de normen onderling werden bepaald. Inclusief dubbele moraal. Rechters hebben er dus ook last van. Deugen doet het niet, maar begrijpen doe ik het wel.

Intussen veegde oud procureur-generaal Dato Steenhuis dinsdag op de opiniepagina met feiten en cijfers de bezwaren vrij overtuigend van tafel. Hij trof het Manifest in het hart: de gebrekkige feitelijke onderbouwing. Het andere zwakke punt, als ik nog één keer mag, is de tegenstelling tussen kwaliteit en kwantiteit die wordt aangekaart. Ik hou graag vol dat hoeveelheid en dus snelheid ook een kwaliteitsaspect is. Het manifest en de reacties laten ook zien dat de rechtspraak het onderling niet eens is over wat ‘kwaliteit’ dan behelst. Nog één tegeltjeswijsheid dan. Aan Albert Einstein wordt toegeschreven dat „niet alles wat telt geteld kan worden, en niet alles wat geteld wordt ook telt”. Misschien zou het debat daar ook over moeten gaan.

Deze column verscheen twee weken geleden in NRC Weekend. Wilt u deze rubriek eerder lezen? Neem hier een voordelig zaterdagabonnement.