Pas vijf eeuwen later mogen de joden terug

Alle Sefardische Joden kunnen zich voortaan versneld tot Spaans burger laten naturaliseren. Maar die geste van de Spaanse overheid wringt, merkt Jaap Cohen op.

Je hebt ze in alle soorten en maten: belangengroeperingen die aandacht vragen voor onrecht dat in het verleden aan minderheden is aangedaan. In Nederland hebben we bijvoorbeeld de Stichting Japanse Ereschulden, een organisatie die strijdt voor schulderkenning van de Japanse regering voor de begane misdaden in de Indische kampen tijdens de Tweede Wereldoorlog. In Buenos Aires begaven de Dwaze Moeders zich decennialang zwijgend op het Plaza de Mayo om aandacht te vragen voor hun zonen die eind jaren zeventig tijdens de junta van Jorge Videla zijn omgekomen. En sinds jaar en dag pleiten belangenorganisaties in de Verenigde Staten voor een financiële vergoeding voor de nazaten van slaven.

Van dit soort schadeclaims komt vaak weinig terecht. Regeringen willen nog wel eens hun excuses maken, maar daar blijft het meestal bij; voor concrete maatregelen of vergoedingen zijn de zaken veelal verjaard.

Maar in Spanje denken ze er anders over. Daar kondigden de ministers voor Justitie en Buitenlandse Zaken drie maanden geleden een opmerkelijke maatregel af: voortaan kunnen alle Sefardische Joden in de wereld zich versneld tot Spaans burger laten naturaliseren. En daarvoor hoeven ze niet eens in Spanje (in het Hebreeuws: Sefarad) te wonen. Sterker nog: de maatregel geldt zelfs voor degenen die nog nooit een stap op Spaans grondgebied hebben gezet. Wat is hier aan de hand?

Voor het antwoord op deze vraag moeten we terug naar de Middeleeuwen. Op het Iberisch schiereiland woonde al sinds de tweede eeuw voor Christus een substantiële groep Joden. Zij hadden tijdens de overheersing van de (islamitische) Moren – vanaf de achtste eeuw – perioden van grote culturele voorspoed gekend. Dat veranderde met de Reconquista, de katholieke herovering van het gebied. Toen kwam de positie van de Joden in een constante, neerwaartse spiraal terecht. Steeds vaker hitste de katholieke geestelijkheid de bevolking op tegen de ‘Christusmoordenaars’. Tijdens grootschalige pogroms gaven de katholieken aan Joden de keuze: de doop of de dood. Veel Joden lieten het niet zo ver komen: zij vluchtten naar het buitenland. Maar veel anderen bekeerden zich inderdaad tot het christendom. Sommigen deden dat alleen voor de buitenwereld: zij bleven binnenskamers joodse rituelen praktiseren, en bij het betreden van de kerk op zondagochtend prevelden ze steevast met ingehouden stem dat ze alleen aan de wetten van Mozes gehoorzaamden. Andere bekeerlingen (conversos of ‘nieuw-christenen’ genoemd) gingen juist helemaal op in hun nieuwe identiteit. Ze werden fanatieke katholieken en kregen naar verloop van tijd hoge posten in kerk en bestuur.

De snelle opmars van een deel van de conversos in de maatschappij zorgde voor scheve ogen bij de zogenaamde ‘oud-christenen’. Die bleven de bekeerlingen met wantrouwen bekijken. Onderhielden de conversos niet nog steeds contacten met Joden? Waren ze wel écht de christelijke godsdienst toegewijd?

Met de val van het laatste islamitische bolwerk, Granada, was de Reconquista in 1492 voltooid. Heel Spanje was nu in handen van de vrome koningin Isabella van Castilië en haar man, koning Ferdinand van Aragon. Nu werd de situatie voor de Joden écht nijpend, want om de eenheid van het ‘Spaanse volk’ te bevorderen, vaardigde dit koninklijke echtpaar op 31 maart 1492 het zogenaamde Verdrijvingsedict uit. Joden kregen drie maanden de tijd om het land te verlaten (wat naar schatting zo’n 80.000 Joden deden – zij gingen vooral naar Portugal, Italië, Noord-Afrika ), of om zich te bekeren en zich bij de conversos te voegen.

In juli 1492 was het hele land ‘Judenrein’. Althans: in naam, want er bleven nog steeds groepen conversos wonen die in het geheim de joodse godsdienst uitoefenden. Om die praktijken uit te bannen, vroegen Ferdinand en Isabella met succes aan de paus om een kerkelijke Inquisitie in te stellen die alle ‘ketters’ zou opsporen en berechten. Want als water (de doop) niet werkte, moesten deze heidenen maar met vuur worden aangepakt: de brandstapel. De verbrandingen van conversos ontwikkelden zich in Spanje en Portugal (waar in 1536 een Inquisitie werd ingevoerd die nog meedogenlozer was dan haar Spaanse evenknie) tot grootse spektakels waarop duizenden toeschouwers afkwamen.

De groep van conversos leefde dus in voortdurende angst. Bovendien was het voor hen uitgesloten om vooraanstaande publieke en militaire functies te bekleden, want die stonden alleen open voor oud-christenen. Kandidaten die voor een dergelijke vacature in aanmerking wilden komen, moesten een certificaat van ‘zuiver bloed’ kunnen overhandigen. Als er op je stamboom ook maar één onzuiver converso-takje te vinden was, kwam je niet meer voor de functie in aanmerking. De maatregel leidde tot veel verwarring – en veel vervalsingen, want ambitieuze mensen met conversobloed in de aderen gingen natuurlijk documenten namaken om hun zuivere afkomst te ‘bewijzen’.

Gezien de ellendige situatie van de conversos op het Iberisch schiereiland is het niet zo gek dat er een grote emigratiestroom op gang kwam naar handelscentra als Antwerpen, Hamburg en – vanaf eind zestiende eeuw – Amsterdam, de tolerante handelsstad in opkomst. Daar hoefden Joden zich niet als christenen voor te doen, maar konden ze in het openbaar hun geloof belijden. Toen in 1834 (!) de Inquisitie eindelijk ophield te bestaan, was er van een (pseudo-)Joodse aanwezigheid in Spanje vrijwel geen sprake meer.

Nu, ruim 520 jaar na de afkondiging van het Verdrijvingsedict, heeft de Spaanse regering ineens berouw gekregen. Beter laat dan nooit, kun je zeggen. Maar met de geschiedenis van de Sefardische Joden in Spanje in het achterhoofd is het ook mogelijk om deze geste met een cynischer blik te bekijken. Zo is het opvallend dat moslims niet in het stuk voorkomen. Als er dan toch aan boetedoening wordt gedaan, had dat wel gemogen: de islamitische Moren zijn tijdens de Reconquista net als de Sefardische Joden uit het land verdreven waarin zij eeuwenlang hadden gewoond.

Er zijn nog andere punten die wringen. De procedure voor versnelde naturalisatie van Sefardische Joden is erg schimmig. Duidelijk is slechts dat belangstellenden zich moeten melden bij de Federatie van Joodse Gemeenschappen in Spanje – met een stamboom in de hand, en een bewijs van lidmaatschap van een Sefardische gemeente. Net als eeuwen geleden is er dus opnieuw een instelling die de achtergrond en afstamming van mensen controleert en beoordeelt. Ondertussen blijven er nog veel vragen open. Zouden Turken met een niet-Joodse achternaam en met slechts één Sefardische betovergrootvader op deze manier burgerrechten van een EU-lidstaat kunnen verkrijgen? Zouden minderbedeelde Sefardische Joden even welkom zijn als gegoede Sefardische zakenmensen en investeerders? Het is maar zeer de vraag, zeker gezien de zware economische crisis waarin Spanje zich bevindt. Zolang er geen duidelijke antwoorden zijn, blijft de nieuwe maatregel van de Spaanse overheid er dan ook één voor de bühne – en kunnen Sefardische belangenorganisaties zich alvast klaarmaken voor de strijd.

Jaap Cohen is historicus. Hij werkt aan aan een proefschrift over de geschiedenis van de Sefardische familie Jessurun d’Oliveira-Rodrigues Pereira, dat rond 2014 bij Uitgeverij Querido zal verschijnen.