Met een pistool tegen het hoofd vindt hockey zichzelf opnieuw uit

Hockey hing even aan een olympisch zijden draadje. Drie jaar voor ‘Rio 2016’ vragen de hockeyers zich af hoe zij hun status kunnen behouden.

Het is even wennen, Brazilië-Argentinië in Rio de Janeiro voor honderd man publiek. Net als de Argentijnse monsterzege (10-0) op hun gastheren. Maar Brazilië mist dan ook zijn beste keeper – die studeert in Hamburg. En de midden-midden kon geen vrij krijgen van zijn werk in Londen.

Hockey in Brazilië, ruim drie jaar voor de Spelen. Met één ‘waterveld’ is de hockeyinfrastructuur van het land wel zo’n beetje beschreven. In het Amterdamse Bos hockeyen op zondag meer mensen dan in de wijde omgeving van het hele Amazonegebied. „Maar Brazilië neemt hockey heel serieus”, verzekert bondscoach Bert Bunnik vanuit Rio. „Er is zelfs televisie, om de olympische sporten bekend te maken onder het volk.”

Ruim een jaar geleden trok hij namens wereldhockeyfederatie FIH naar Brazilië om belangrijk zendingswerk te doen. Inmiddels werkt hij met twee nationale ploegen – de mannen hebben zich opgewerkt tot „overgangsklasseniveau”. En passant leidt Bunnik een aantal Braziliaanse coaches op die het op den duur van hem overnemen. „De FIH heeft gezegd: wat er in Athene is gebeurd willen we niet meer.” Want waar de Grieken zich in 2004 ook allemaal op hadden voorbereid – in elk geval niet op deelname aan hun eigen olympische hockeytoernooi.

Het ontwikkelingswerk van de voormalig technisch directeur van de Nederlandse hockeybond in Brazilië is inmiddels een stuk actueler geworden dan hij bij zijn vertrek had gedacht. Tijdens een vergadering van de zogenoemde executive board van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), twee weken geleden, voelde de innige hockeyfamilie ineens een pistool tegen het hoofd toen één van de leden – zonder enige waarschuwing – opperde de hockeysport af te voeren van de olympische agenda.

„Het was een grote schok voor de FIH”, erkent Marijke Fleuren, voorzitter van de Europese hockeyfederatie (EHF) en lid van de executive board van de FIH. „Het is nog volstrekt onduidelijk wat daar precies is gebeurd. De FIH is fulltime bezig dat uit te zoeken. Maar het hockey staat nu op een lijstje, en dat lijstje is nooit meer weg te poetsen.”

De dreun kwam volgens Fleuren vooral zo hard aan door het „booming succes” van Londen, waar de opvallende, blauw-roze Riverbank Arena tot de best bezochte stadions behoorde. „Maar zolang we niet weten waarom we op dat lijstje zijn gekomen, weet je ook niet wat je moet doen om er weer af te komen.”

Van de hockeywereld kan veel worden gezegd, maar niet dat zij star is. „Wat betreft innovaties loopt hockey voorop”, zegt tweevoudig olympisch kampioen Naomi van As. Veel nieuwe regels waren er de afgelopen jaren op gericht het spel sneller en veiliger te maken. Van As: „Hockey is spectaculair vergeleken met andere sporten. Ik was deze week bij Ajax-AZ. Echt saai, tot die doelpunten op het einde. Maar in het hockey is weinig concurrentie. In de top-4 zitten bijna altijd dezelfde landen. Het moet in meer landen populair worden.”

Om dat te bereiken zette de FIH de de Hockey World League op, een toernooi waar de kleine landen zich met de top kunnen meten. In Rio begon deze week de tweede ronde bij de mannen, met Brazilië, Chili en Trinidad & Tobago, en gevestigde teams als Argentinië en Zuid-Afrika. Maar een hockeycultuur ontwikkelen in een ‘vreemd’ land, als dat al lukt, kost veel tijd. Bunnik: „Wij zijn in Brazilië nu ruim een jaar bezig. Dan sta je niet meteen in de top-15.”

De vraag is of daarnaast of expansie voldoende is. Het IOC richt de focus de laatste jaren meer op spektakel, op uiterlijk aantrekkelijke sporten die een breed, jong publiek naar de stadions lokken – van beachvolleybal tot snowboardcross. Ook de actieve deelname van jongeren, aan de basis, staat hoog in het vaandel.

In Australië wordt sinds twee jaar geëxperimenteerd met een toernooi waarin twee ploegen van negen spelers ten elkaar uitkomen, met doelen die een meter breder zijn dan normaal. Meer aanvallend hockey, meer spektakel, is de gedachte. „Ik geloof wel in zo’n nieuw format”, zegt KNHB-directeur Johan Wakkie. „Maar voor Nederland zou ik teams met negen spelers niet toejuichen. Dan moet je nog tweehonderd hockeyvelden aanleggen.”

De FIH zelf ontwikkelde voor de Jeugd Olympische Spelen van 2014 (Nanking) een nieuwe variant, Hockey5, gespeeld door vijftallen op een half veld. „Vijftallen kosten minder geld, dus er kunnen meer teams meedoen. Ik zou het prima vinden als we een vorm ontwikkelen waarmee we proberen de jeugd binnen te houden, want dat is de grote kunst.”

Wakkie denkt dat de hockeywereld zich vooral zal moeten concentreren op een aantal grote landen, vooral in Azië. „De grote toernooien gaan steeds meer naar opkomende landen als Brazilië, India, China, Turkije. Dat zijn de landen waarin je moet investeren.”

Naomi van As denkt dat de hockeywereld een belangrijke sleutel al in eigen hand heeft. De nieuwe Hockey India League, die begin dit jaar voor het eerst werd gehouden met tal van buitenlandse hockeysterren, trok meer dan twintig miljoen televisiekijkers. „Dat toernooi kan een voortrekker zijn. Het lijkt mij ook leuk voor vrouwen. Je zou met dat toernooi ook naar andere landen kunnen, zoals Amerika of Spanje, als een jaarlijkse promotietour.”

Voorlopig heeft de FIH de handen vol om de sport langs Rio te loodsen. Een thuiswedstrijd zoals in Londen wordt het in elk geval niet. Maurits Hendriks, technisch directeur van NOC*NSF, constateert dat Brazilië zelfs nog niet heeft besloten waar het hockeytoernooi zal worden gehouden. „Drieënhalf jaar voor de Spelen, dat is rijkelijk laat. Dat vind ik wel reden tot zorg. Het zal in elk geval niet, zoals in Londen, in het Olympic Park zijn.”