Ik wandel dus ik ben

Wandelen en denken gaan hand in hand. Frédéric Gros schreef een filosofische wandelgids. Een voettocht door Parijs met de bestsellerauteur.

De ideale wandeling mag enige inspanning kosten, maar het moet geen sport worden. Alleen dan sta je open voor het landschap en jezelf. „Wie wandelt staat intenser in de wereld”, zegt Frédéric Gros. Hij schreef er een boek over, Marcher, une philosophie, dat hij tijdens lange wandelingen bijeen dacht. Het werd in Frankrijk een bestseller en is nu in Nederlandse vertaling verschenen.

Gros (47) is geen eenzame wandelaar. Dwalend, kuierend, marcherend houdt een stoet denkers en schrijvers hem gezelschap. Hij puft met Nietzsche de berg op, slaat met Rimbaud op de vlucht. Samen met Thoreau wordt hij één met het bos, hij laat Griekse filosofen van de cynische school schuimbekken, en Rousseau loopt naast hem met zijn hoofd in de wolken. Allemaal hebben ze hun ideeën gevormd onder het wandelen. Hoe verschillend die ideeën ook zijn, samen helpen ze Gros steeds een ander facet van het wandelen te belichten.

Waarom is wandelen zo populair? Zelfs als je iedereen die een ommetje maakt buiten beschouwing laat, doet ruim eenderde van de Nederlanders eraan. In de rest van Europa is het niet veel anders. Zie de filevorming op het Pieterpad en alle Grandes randonnées, National Trails, Caminos en Wanderwege.

Wandelen is je losmaken van deadlines en beeldschermen. Het is een geestelijke wasbeurt, en een lichamelijke. „Ik wandel mezelf weg van elke ziekte, en ik heb mijzelf mijn beste gedachten binnengewandeld”, hoor je Søren Kierkegaard vaak nazeggen.

Helaas stierf de Deense vader van het existentialisme al op 42-jarige leeftijd, vermoedelijk aan tbc. Maar dat wandelen en denken hand in hand gaan, is onweerlegbaar en van alle tijden. Of in elk geval sinds Petrarca in 1336 de Mont Ventoux beklom. Voor het eerst schreef iemand dat hij voor zijn plezier een lichamelijke inspanning verrichtte; hij legde het verband tussen het landschap waarover hij uitkeek en zijn gedachten. Petrarca gaf het startschot van zeven eeuwen wandelliteratuur. Laverend tussen biografie en meditatie voegt Frédéric Gros zich moeiteloos in dat genre.

Stil

Met hem wandel ik door het landschap van de stad waar hij hoogleraar filosofie is. Van de Place de la Bastille naar de Jardin des Plantes. En weer terug. Het verkeer raast, sloophamers ratelen, fietskoeriers proberen ons bellend van de sokken te rijden. Maar om Gros heen, die nauwkeurig formulerend de ene voet voor de andere zet, lijkt het volkomen stil.

„Het is moeilijk om in de stad de regelmaat te vinden die het geheim is van wandelen in de natuur”, zegt hij. „Men laat zich een ritme opleggen door de anderen: passanten, auto’s. Maar in de natuur wordt de geest uiteindelijk in slaap gewiegd. In de stad moet je tekens lezen. De stad houdt je geest wakker. Wandelen in de natuur is als de golvende alexandrijnen van de grande poésie. De stad is een grillig prozagedicht van Baudelaire.”

We gaan de brug over Bassin de l’Arsenal over. Hij zegt: „Wandelen in de stad is vrijblijvend, je kunt je eigen weg zoeken.”

Ik denk: ja, maar is dat niet een beetje een open deur? En in de natuur kun je toch ook gaan waarheen je wilt?

Hij zegt: „De stadswandelaar wordt omringd door mensen die met een bepaald doel op weg zijn, ze zijn aan het werk of gaan naar school. Alleen de flâneur zelf weet dat hij anders is. Maar in de bergen kom je mensen tegen die precies hetzelfde aan het doen zijn als jij: wandelen. Daar heb je minder vrijheid. Je hebt een bepaalde route gekozen. Je moet de volgende hut zien te halen. Je hebt je misschien bevrijd van de stadsherrie en de menigte, maar op een andere manier heb je jezelf vastgelegd. Wandelen in de stad en de natuur zijn twee verschillende stijlen van vrijheid.”

Het blijft een waarheid als een koe. Maar door het zo precies te formuleren dwingt Gros je alledaagse dingen, die je normaal gedachteloos doet, of waaraan je zelfs geen gedachte wijdt, scherper te zien. Of te zien. Misschien is dat wel wat filosofie is.

Hondje

We steken de Seine over. Een rondvaartboot schuift onder ons door. Op het naastgelegen viaduct passeren twee metrostellen elkaar, de lage zon vonkt even van het metaal. Voor de Jardin des Plantes hebben daklozen hun tentjes opgeslagen. Voor een ervan zit een hondje hartgrondig te geeuwen.

Wandelen in de stad is beelden opdoen, zegt Gros, als we de botanische tuin in lopen. Toevalligheden, in een oogwenk verdwenen – het is de kunst die te pakken, heel bevredigend. Maar het is van een andere orde dan een voettocht in de Cevennen in Zuid-Frankrijk, Gros’ favoriete landschap. Daar zijn het niet de ogen, maar „de voeten die het landschap lezen”, zegt hij.

„Dat is geen intellectuele ervaring. De hardheid van de grond prent zich in je lichaam door de voeten. Zo toont het landschap zijn schoonheid. Als beloning. Of het laat je lijden. In de Middeleeuwen werd je voor straf op pelgrimstocht gestuurd. En bij moderne pelgrims speelt het ook mee: wandelen om boete te doen.”

Maar het moet „geen kruisweg” zijn, vindt Gros. Daarom heeft hij ook iets tegen het hooggebergte, waar het wandelen te vaak sport wordt: hoger, verder, sneller. „Het wandelen kan ons juist bevrijden van onze obsessies met prestaties en cijfers. Bij de beroemde tocht die de jonge Robert Louis Stevenson door de Cevennen maakte met zijn ezel doen de kilometers er niet toe. De Stevensonroute is een opeenvolging van landschappen, het is de weg-als-verhaal.”

De weg, niet het doel. Voor dat simpele, bereikbare plezier heeft de wandelaar vrijwel niets nodig, behalve een paar goede schoenen. Wie dat eenmaal beseft, heeft zichzelf bevrijd. Zo iemand hoeft zelfs niet steeds op zijn horloge te kijken.

Beeldschermpjes

Gros kijkt op zijn horloge en zegt dat hij nog een afspraak heeft. Een tijdje zwijgt hij. Dan zegt hij dat het „ongelooflijk” is hoe we „vastgeketend zitten aan de beeldschermpjes”. Ja, het is reuze handig om snel contact te maken, of een restaurant te boeken. Maar ze scheppen een parallelle wereld die ons afsluit van de echte. Zelfs wandelaars doen het, zegt hij met afgrijzen: op hun mobiele telefoon kijken om te zien waar ze zijn.

Ik denk aan Robert Macfarlane. In The Old Ways, A Journey on Foot, ook een recente wandelbestseller (in Nederland verschenen als De oude wegen), zet hij de verhouding tussen wandelaar en omgeving op scherp door te zeggen dat „sommige landschappen iets over je weten”.

Gros moet lachen. „Nietzsche heeft eens gezegd dat iedereen zijn eigen landschap moet vinden. Dat veronderstelt intimiteit. Nietzsche wandelde om verder te kijken dan anderen. De bergen weerspiegelden zijn gevecht tegen zichzelf. Nerval wandelde het liefst op vlak terrein en in de bossen. Dat landschap past als vanzelf bij zijn nostalgische thema’s. ”

Maar er is ook iets wat ze delen, zegt hij. Veel filosofische wandelaars hebben cultuur altijd hinderlijk gevonden. „Het idee dat je geest wordt verpletterd onder de tonnen boeken waarmee je omringd bent. Wandelen gaf ze een intiemere relatie met hun eigen bespiegelingen zonder dat er boeken van anderen tussen kwamen. Wandelen bevrijdde hen.”

Maar daarna schreven ze er wel een boek over.

„Dat is waar”, zegt Gros, als we terugkeren op het punt van vertrek. „Dat is het paradoxale. Dan is de cirkel gesloten.”

Frédéric Gros, Wandelen, een filosofische gids. Vertaald door Liesbeth van Nes. Bezige Bij; 256 blz. Prijs: 16,90 euro