Ik houd altijd een zekere reserve

Cleo Campert (49) fotografeerde haar vrienden. Remco Campert (83) schreef er gedichten bij. Hun boek is net verschenen. „Het moment dat mensen zich niet bewust zijn van mijn aanwezigheid, dat levert mooie foto’s op.”

Zíjn idee

„Mijn vader kwam terug uit zijn huis in Frankrijk, jaren geleden alweer, en we spraken af om iets te gaan drinken. Toen zei hij: laten we samen een boek gaan maken. Het is dus van hem uitgegaan. Ik was verguld. Híj had het bedacht. Hij wilde iets met míj maken. Het heeft een tijd geduurd voordat we het onderwerp te pakken hadden, maar dat was niet erg. Ik dacht: ook als er nooit wat uitkomt, dan nog is dit waardevol. Het praten erover, het samen nadenken.”

Station Diemen

„In het begin was het idee om iets te doen met station Diemen. Het moest gaan over op weg zijn. Ik vond het een mooie plek. De leegheid die het uitstraalde, de vergankelijkheid, het licht. Ik dacht: laten we er samen heengaan en dan zien we wel wat er gebeurt. We gingen erheen – er gebeurde niets. Tegelijkertijd was ik al begonnen met het vastleggen van mijn vriendenkring en opeens wisten we: daar moet het over gaan.”

Elite

„Iemand zei een keer tegen me dat ik bij de culturele elite hoorde. De kringen waarin ik verkeer – dat was de culturele elite van Nederland, zei hij. Daar had ik nooit zo over nagedacht, maar het is denk ik wel zo. Elite heeft een vervelende klank, alsof je jezelf boven andere mensen stelt en je bepaalde voorrechten zou hebben. Zo bedoel ik het niet. De culturele elite is geen machtselite. Het zijn geen bankiers of politici. Iedereen die iets maakt, mag erbij. Iedereen die in de kunsten leeft.”

Kattenvoer

„Mijn vroegste herinneringen heb ik aan het huis in Antwerpen waar we toen woonden. Het was een groot herenhuis met veel verdiepingen. Ik was een jaar of drie en ik at het bakje kattenvoer leeg dat op de grond stond. Ik heb geen beeld van mijn vader in die tijd. Ook niet van mijn moeder trouwens. Überhaupt heb ik geen herinneringen aan mensen als ik aan het huis in Antwerpen terugdenk, alleen aan dingen. En aan de kat. Wel weet ik nog dat het niet de bedoeling was dat ik dat kattenvoer opat.”

Vakantiehuis

„Vanaf mijn achtste ging ik ’s zomers altijd met mijn zusje en mijn vader en zijn nieuwe vrouw en haar twee kinderen naar hun vakantiehuis in Noord-Frankrijk. Die andere kinderen zijn van dezelfde leeftijd als mijn zusje en ik – we waren meteen bevriend. Mijn vader is in de zomer jarig, dus er kwamen veel mensen op bezoek. Ik herinner me Kees van Kooten, Jan Mulder, Johan van der Keuken, Hannes Postma. Het waren er nog veel meer. Ze praatten, aten, borrelden. Wij speelden op de akkers en we voerden toneelstukjes op – de normale dingen.”

Softijsmachine

„Aan de scheiding van mijn ouders heb ik geen herinneringen. Opeens woonde ik met mijn moeder– maar zonder mijn zusje – bij mijn opa en oma in Bunnik. Er was een tuin met konijnen en kippen. Ik ging er naar de kleuterschool. Daarna hebben we nog – weer met mijn zusje erbij – een half jaar bij Jan Rietveld gewoond in de Korte Leidsedwarsstraat in Amsterdam. Verderop in de straat was een softijsmachine, gewoon in de muur. Je gooide er een kwartje in en dan kwam er een ijsje uit. Uiteindelijk kreeg mijn moeder een flat in de Bijlmer toegewezen. Toen ik op het Barlaeus Gymnasium zat, logeerde ik af en toe wel bij mijn vader. Hij woonde in Amsterdam-Zuid.”

Mijn aard

„Mijn jeugd was niet zo heel gelukkig, maar ik was wel gelukkig. Mijn vader was geen erg handige vader en mijn moeder was ook niet zo’n handige moeder. Ik heb veel zelf moeten uitvinden. Het zijn dingen waar ik liever niet over uitweid. De relatie met mijn ouders is nu goed en de dingen zijn zoals ze zijn. Ik maak geen rekensommen van mijn verleden. En als ik het toch doe, dan is het een positieve rekensom. Zo is mijn aard.”

Rits, klak, klik

„Na het Barlaeus wist ik niet wat ik wilde. Na een jaartje rondhangen wist ik het nog steeds niet. Ik twijfelde tussen kunstgeschiedenis of rechten. Het werd rechten, maar na drie maanden dacht ik: wat doe ik hier? Toen ben ik het gaan proberen met fotografie en daar ben ik sindsdien niet meer mee gestopt. Ik was er in mijn puberteit al mee bezig geweest toen ik een kleine Agfa-camera had gekregen – misschien van mijn oma. Het was zo’n klein zilverkleurig doosje, iets groter dan een pakje sigaretten, met een grote oranje knop erop. Je schoof het uit – rits, klak, klik. Dat was de reclameslogan. Ik had er foto’s van mezelf mee gemaakt in de spiegel. Het was een ontdekking. Ik zag mezelf van een kant die ik niet kende. Ik fotografeerde ook de kat en mijn kamer, maar geen andere mensen – toen nog niet. Achteraf is fotografie een begrijpelijke keuze. Ik ben visueel aangelegd. Ik ben verlegen. Ik observeer graag. Ik neem alles in me op. Of die eigenschappen een gezamenlijke oorzaak hebben, kan ik niet zeggen.”

Melk in een kopje

„In de vijfde was ik blijven zitten en toen ging ik voor de tweede keer naar Rome met een klas die ik niet goed kende. Ik had al een wat betere camera en in het pension waar we zaten ben ik foto’s van mijn klasgenoten gaan maken. Er heerste een leuke, feestjesachtige stemming. Die foto’s zouden zo in het boek kunnen dat ik nu met mijn vader gemaakt heb. Het boek is een verzameling foto’s van vrienden en bekenden en mensen die ik graag zou willen kennen. Ik heb ze eerst bij allerlei openbare gelegenheden gefotografeerd – openingen van tentoonstellingen, boekpresentaties, verjaardagen – en daarna ben ik ze thuis gaan fotograferen. Ik begon dan met het vastleggen van stillevens: een hoekje van een bureau, een plank in de boekenkast, een vensterbank. De meeste mensen gingen dan intussen door met hun dagelijkse bezigheden en dan portretteerde ik ze. Dus zie je Robert Vuijsje bovenaan de trap met zijn mobiel spelen, of Marjolijn van Heemstra die in haar agenda bladert, of Kees van Kooten die voorovergebogen bij het aanrecht melk in een kopje giet.”

Televisieverslaafd

„Jarenlang heb ik het Amsterdamse nachtleven gefotografeerd: mensen die dingen doen die ze in het dagelijks leven nooit doen. Nu heb ik misschien wel willen laten zien laten zien dat mensen met een bepaald aanzien ook maar gewone mensen zijn. Dat mijn vader – er staan ook foto’s van hem in – een gewone man is. Maar tegelijkertijd klinkt dat zo... Ja, wat eigenlijk? Ik was verslaafd aan Big Brother vroeger, heerlijk om naar te kijken, sowieso ben ik televisieverslaafd, maar zelfs Big Brother werd uiteindelijk een show met een script waarin mensen zich voortdurend bewust waren van de camera. Het moment dat mensen zich niet bewust zijn van mijn aanwezigheid, dat ze hun gang gaan en geen pose aannemen – dat levert mooie foto’s op. Tegelijkertijd houd ik altijd een zekere reserve. Ik fotografeer geen bankafschriften of dagboekfragmenten.”

Ziel met voeten

„Mijn vader had thuis een mapje met mijn werk liggen en ik liet hem af en toe wat foto’s zien. Op een dag haalde hij een stapeltje A4-viertjes tevoorschijn met die prachtige, poëtische regels erop – zijn bijdrage aan het boek. Ik zeg ‘poëtische regels’ omdat het geen gedichten zijn. Ze zijn simpel, kort, en zo goed, zo mooi. Bevriende cineasten bevrijdt u van uw camera! Zeven woorden en een uitroepteken. Probeer het niet uit te leggen, dan slaat het meteen dood. De titel is De ziel krijgt voeten. Die heeft mijn vader natuurlijk ook bedacht. Zo mooi, zo grappig, zo concreet. Ik zie meteen die voeten voor me.”

Op zondag 3 maart wordt De ziel krijgt voeten gepresenteerd in Castrum Peregrini, Herengracht 401, Amsterdam. Aanvang 16.00 uur. Daar is ook een expositie van foto’s van Cleo Campert.