‘Ik begrijp luxe’

Christophe Lemaire, hoofdontwerper van Hermès, wil dat kleren functioneel zijn. „Er is een enorme kloof tussen mode en kleren ontstaan.”

Hermès, collectie voorjaar/zomer 2013 Peter Stigter

Bij bijna elke benoeming van een nieuwe ontwerper bij een groot modehuis is er discussie, maar zelden werden de wenkbrauwen zo hoog opgetrokken als toen Hermès eind 2010 aankondigde dat Christophe Lemaire de nieuwe hoofdontwerper zou zijn. Lemaire was tot dan toe hoofdontwerper van, nota bene, sportmodemerk Lacoste. Hij moest Jean Paul Gaultier vervangen, die zeven jaar lang de vrouwencollecties had ontworpen voor het luxemerk.

„Het was een grote verrassing, maar tegelijk lag het volkomen voor de hand om mij te kiezen”, zegt Lemaire (47), een tengere, jongensachtige Parijzenaar met een zachte stem. „We wisten meteen welke kant het moest opgaan. Ik begrijp luxe.”

Lemaire is in Nederland omdat de redactie van Marie-Claire hem heeft uitgeroepen tot beste modeontwerper van het jaar. Hij neemt de prijs persoonlijk in ontvangst; hij heeft er een weekendje Amsterdam van gemaakt met zijn vriendin.

Vier collecties heeft Lemaire nu laten zien; deze week presenteert hij in Parijs zijn vijfde, voor najaar 2013. Het contrast met zijn voorganger had bijna niet groter kunnen zijn. Waar Gaultiers shows uitbundig, op het decadente af waren, hebben die van Lemaire een ingetogen sfeer, ondanks de soms bewerkelijke en vaak super-de-luxe kledingstukken. Lemaire heeft een hekel aan „spektakelshows”, die volgens hem het modesysteem hebben „vervuild”. „Het gaat alleen om de podiumkant. Er is een enorme kloof tussen mode en kleren ontstaan.”

Niettemin zijn de kleren van Lemaire uitgesproken en meteen herkenbaar. Er zitten duidelijk invloeden van de jaren zeventig in, de periode waarin hij vol bewondering keek naar zijn moeder en grootmoeder, „heel stijlvolle vrouwen”. De mode uit die jaren spreekt hem ook aan, zegt hij, omdat die „elegant was, maar ook praktisch; het was een tijd van grote emancipatie. Om dezelfde reden houd ik ook van de jaren twintig.” Daarnaast zijn er invloeden uit Afrika (als kind woonde hij drie jaar met zijn moeder in Senegal) en Azië. „Daar zie je dat ook arme mensen er stijlvol uit kunnen zien. Het gaat om waardigheid, om hoe je je beweegt.”

Lemaires esthetiek is, zo zei hij onlangs, „vrij mannelijk, op een bepaalde manier lesbisch”. Heeft dat iets te maken met het feit dat hij een van de weinige heteroseksuele mannelijke ontwerpers is die vrouwenmode maken? „Misschien”, zegt hij. „Ik projecteer mijn liefde voor vrouwen in mijn werk. En die liefde is geen fantasie. Wat meestal beschouwd wordt als sexy, vind ik een belediging voor vrouwen. Je hoeft je borsten niet te laten zien om aantrekkelijk gevonden te worden. Ik houd veel meer van suggestie. Ik wil kleren maken waar vrouwen zich goed in voelen. Ik wil dat kleren functioneel zijn, en dat ze gedragen kunnen worden door vrouwen van alle leeftijden. Het klinkt een beetje zwaar, maar ik wil mode maken die zin heeft.”

Literatuurstudent

Lemaire heeft nooit een modeopleiding gevolgd. Als literatuurstudent begon hij met zijn toenmalige vriendin Isabel Marant – tegenwoordig ook een zeer succesvol ontwerper – een klein, alternatief modelabel. Op zijn negentiende wilde hij overstappen naar de kunstacademie, maar omdat zijn vader hem niet wilde onderhouden, ging dat niet door. Via via kon hij aan het werk bij Thierry Mugler. Vervolgens liep hij een tijdje stage bij Yves Saint Laurent, en kreeg hij een baan bij Christian Lacroix, die toen net doorbrak met zijn ballonrokjes en overdadige stijl.

In 1990, nadat hij een prijs had gewonnen, begon hij zijn eigen label, Christophe Lemaire, en kon hij eindelijk de kleren maken waar hij van hield; comfortabele, elegante stukken, het soort dat hij nu ook voor Hermès laat zien, maar dan uitgevoerd in minder luxe stoffen. „Je zou de twee merken heel goed samen kunnen dragen.” Twee keer is het merk Christophe Lemaire, dat ook kleding voor mannen heeft en in stijl vergelijkbaar is met Hermès, tijdelijk gestopt. Maar de laatste twee jaar is de omzet meer dan verdrievoudigd. „Ja, natuurlijk komt dat ook doordat ik nu voor Hermès werk”, zegt Lemaire.

Een van de dingen die Lemaire bij Hermès heeft ingevoerd is een lookbook dat wordt verspreid onder de winkels, en dat zijn ontwerpen op een alledaagsere manier laat zien dan op de catwalk. Vestiaire heeft hij de halfjaarlijkse uitgave genoemd, Frans voor ‘garderobe’. „Vrouwen komen voor de tassen en de shawls, maar voelen zich soms een beetje geïntimideerd door onze kleding. Ik wilde laten zien dat we niet alleen bijzondere en dure mode hebben, maar ook kleding die je elke dag kunt dragen. Een wit overhemd, een kasjmier trui.” Inderdaad, erkent hij, het zijn overhemden en truien die door de prijs (een overhemd kost 650 euro, een kasjmier trui 700 euro) maar voor weinigen zijn weggelegd. „Maar het zijn wel eerlijke kleren. De kwaliteit van de stoffen is ongelooflijk, en we zijn geen merk dat steeds naar een andere fabrikant stapt omdat het daar goedkoper gemaakt kan worden. De ethische kant is heel belangrijk.” Betekent dat ook dat de katoen bijvoorbeeld biologisch is? „Eh, kunnen we naar een andere vraag? Laat ik het zo zeggen: we zijn er wel mee bezig.”

Niet elke collectie van Lemaire is juichend ontvangen; het invloedrijke, maar zelden kritische style.com merkte na zijn laatste show op dat de balans tussen luxe en functionaliteit niet helemaal goed was. Zit de vrouw die zich zijn pakje van kobaltblauw krokodillenleer kan veroorloven wel te wachten op een handige ceintuur met twee enorme zakken eraan? „Er valt nog wel wat te verbeteren”, geeft Lemaire toe. „Maar de verkoop gaat goed, en dat is natuurlijk waar het om gaat bij mijn baan. En nooit in mijn carrière heb ik me zo gelukkig en zelfverzekerd gevoeld. Ik hoop dat ik heel lang mag blijven.”