Hongarije presteert beter

Viktor Orbán, premier van Hongarije, wordt door buitenlandse journalisten nogal eens in één adem genoemd met Silvio Berlusconi. Beiden charismatische populisten, dwarsliggers binnen Europa, niet bang voor een opstootje over hun interpretatie van de democratische spelregels. Conservatief en dol op voetbal. Ze schijnen elkaar ook wel te mogen.

Hongaren vinden de parallel vaak nogal ver gezocht. Orbán, een brave vader van vijf kinderen met een van nature krachtige kaaklijn, naast die gefacelifte entertainer Berlusconi met zijn minderjarige vriendinnetjes.

Maar af en toe komt de vergelijking van pas. Steeds als Hongarije de afgelopen jaren werd bekritiseerd door Europese regeringsleiders of de Europese Commissie, was er wel een ander Europees land waar dezelfde regels ook werden geschonden. ‘Jullie maken je druk om de persvrijheid in Hongarije? Wel eens naar Italië gekeken?’

Dat was even slikken voor Europese diplomaten, die gewend zijn nieuwe lidstaten de beste Europese voorbeelden als maatstaf voor te houden. Je kunt binnen Europa ook de slechtste voorbeelden volgen. Wellicht is in de oude lidstaten hier en daar sprake van achterstallig onderhoud.

De verkiezingen in Italië bevestigen het land en de politiek daar in de Hongaarse beeldvorming nu juist als afschrikwekkend voorbeeld. Een hoge staatsschuld. Eerst geregeerd door een technocraat, ingefluisterd door het IMF. Nu ten prooi aan politieke verdeeldheid.

Hongarije behoorde tot de eerste Europese landen die in de problemen kwamen door de snel oplopende staatsschuld. Het hoopt zijn crisis al gehad te hebben. Na een jaar technocratisch bestuur, ingrijpende bezuinigingen en bemoeienis van EU en IMF kwam bij de laatste verkiezingen in 2010 tenminste nog één partij aan de macht. Met maar liefst tweederde van de zetels in het parlement, een meer dan werkbare meerderheid.

Terwijl iedereen naar Italië kijkt en de halve eurozone de adem inhoudt over de nasleep van de verkiezingen daar, timmert de Hongaarse regering in de Europese luwte rustig verder aan zijn eigen economisch model.

De belangstelling voor Italië bleef na de verkiezingen beperkt en flakkerde alleen even op toen de naam van een Hongaarse paus begon te circuleren. Kardinaal Péter Erdö maakt – althans volgens Hongaarse media – kans ‘onze man in Rome’ te worden.

Maar verder blijft Hongarije een naar binnengekeerd land. Waar het nieuws nu wordt gedomineerd door de rechterhand van Orbán, die tot gouverneur van de centrale bank is benoemd – waardoor die zijn onafhankelijke positie zou kunnen verliezen. Dat is niet iets waar men elders in Europa van wakker ligt, zolang Hongaren in forinten betalen.

Een week eerder blikte de premier vooruit op het komend jaar. De speech stond voor een groot deel in het teken van de economische onafhankelijkheidsstrijd. Onafhankelijk van buitenlandse leningen. Onafhankelijk van energie uit het buitenland. En alles doen om te voorkomen dat het IMF opnieuw het beleid dicteert. Ellende elders in Europa helpt om de Hongaarse burgers ervan te overtuigen dat het hier helemaal zo slecht nog niet is.

Vanuit Boedapest hoeft maar naar het zuiden te worden gewezen om het eigen gelijk te halen. Griekenland, Italië, landen die aan het infuus liggen en waar het zo mogelijk nog slechter gaat dan hier. Achter de premier op het podium hing een spandoek met ‘Hongarije presteert beter’. Zonder Silvio’s vette knipoog.

Marloes de Koning