Het plan voor de oversteek

Lezen, rekenen, puzzelen. Hans Steketee bereidt zich voor op een zeiltocht naar Engeland.

Het Kanaal tussen Engeland en Frankrijk. Zeezeilen komt vaak neer op ‘the fine art of getting wet and becoming ill while slowly going nowhere at great expense’. Hollandse Hoogte

De eerste Noordzee-oversteek die ik maakte, tien jaar geleden, ging vanzelf. Martin, onze instructeur, had het al honderd keer gedaan en hij had haast. Hij trok een lijn op de kaart van Harwich naar Oostende en besloot zonder ruggespraak dat we om middernacht zouden vertrekken. Dan zou de stroming gunstig zijn.

We voeren Harwich uit, langs de containerschepen. Toen slokte het donker ons op.

„Stuur maar een koers van 125 graden”, zei Martin. „En als er wat is, maak je me wakker.” Hij verdween de kajuit in, waar mijn twee Britse medecursisten al een uurtje lagen te slapen.

Zestien uur later meerden we geheel volgens plan af in België. Tussendoor was er niets gebeurd. We stuurden en sliepen om beurten, en zetten elk uur onze positie in de kaart. We maakten thee of soep als Martin zei dat het tijd was „to put the kettle on”. De zee was akelig braaf, de boot zeilde zoals Martin wilde, en op zee waren nauwelijks andere schepen. Je eerste keer de Noordzee over is onvergetelijk, hoor je altijd. Ik heb het onthouden, maar spectaculair was anders.

Sindsdien heb ik genoeg zeemijlen gemaakt, maar een nieuwe oversteek zat er niet bij. Deze zomer moet het er van komen. Eerst langs de Nederlandse en Belgische kust, oversteken naar de White Cliffs of Dover en dan langs de Engelse zuidkust tot aan het eiland Wight, of – meteo volente – een stukje verder. Dat is het plan.

Het is een tocht die duizenden zeilers elk jaar maken, in twee richtingen. Maar op de automatische piloot zal het dit keer niet gaan. Die 22 zeemijl tussen Calais en Dover, zo’n veertig kilometer, is een van de drukste stukjes zee ter wereld. Een stip op de horizon is binnen een kwartier een aanstormende tanker. Zo moet een voetganger zich voelen bij het oversteken van de snelweg.

De zee schuift bovendien twee keer per dag heen en weer door het Nauw van Calais, en als je het tij tegen hebt, is Dover ver weg. Ik doe dus wat veel zeilers doen in februari, als de meeste boten nog op de wal staan, maar het wel begint te kriebelen: plannen maken en puzzelen.

Ik werk oude zeekaarten bij en bestel een paar nieuwe. Ik koop de stroomatlas en de getijdetafels voor 2013, en de laatste editie van Reeds Nautical Almanac, met gegevens over elke haven in Europa. Ik verleng verlopen scheepspapieren (Franse douaniers haten verlopen scheepspapieren). Ik doe de sommetjes over die Brian Navin heeft gemaakt in zijn North Sea Passage Pilot. En ik lees nog maar eens De overtocht naar Zuid-Engeland van zeilveteraan Ben Hoekendijk, ondanks het zoute proza een van de beste gidsen in het Nederlands.

Plannen is voorpret, plaatsvervangend zeilen. Zoals ook de Hiswa Amsterdam Boat Show, de watersportbeurs die volgende week van start gaat, een snelle shot is voor iedereen met een bootjesverslaving.

Plannen is absoluut noodzakelijk, in elk geval voor de heen- en terugreis. Een voorbeeld. Eigenlijk wil ik niet vanuit Calais maar vanuit Duinkerke naar Dover. Vanuit Nederland ligt Duinkerke een halve dagreis dichterbij, en bovendien kun je de haven van Duinkerke op elk uur in- en uitvaren. In Calais is het vervelend druk met veerboten en de jachthaven is er alleen kort voor en na hoogwater open. Als het tijdstip van hoogwater ongunstig valt, moet je ’s nachts varen, of besluiten een paar dagen later of eerder te gaan. Dat kun je nu al plannen. Duinkerke-Dover geeft weliswaar meer speelruimte, maar het is ook een stuk langer varen naar de overkant. Het kan niet ‘in één tij’, zodat je, wanneer je ook vertrekt, altijd wel ergens stroom tegen hebt. En met twee honden aan boord is acht uur varen zonder plaspauze wel zo’n beetje de limiet. Op de navigatiecursus lijkt het simpel, maar in praktijk is passage planning een vergelijking met veel variabelen.

Achteloos

Als het lukt, is het ontzettend bevredigend: van A naar B met hulp van alleen wind, water en eigen denkkracht. Ik realiseerde het me destijds niet, maar Martin liet ons achteloos de perfecte oversteek maken. Dwars over die heen en weer schuivende plak water, haaks over de shipping lanes, om de zandbanken aan de Engelse en de Belgische kant heen, en na zestien uur precies uitkomen tussen de pieren van Oostende, terwijl je al die tijd het gevoel had dat je gewoon rechtdoor had gevaren.

En zit het tegen, dan is het goed je nog eens te realiseren dat zeezeilen – althans in ons klimaat – vaak neerkomt op the fine art of getting wet and becoming ill while slowly going nowhere at great expense.

Want plannen heeft ook iets gratuits. Geen oorlogsplan overleeft het eerste schot, luidt het militaire cliché, en zo is het ook vaak op zee. Je kunt precies hebben uitgerekend hoe laat je een ondiepe Engelse haven kunt binnenvaren zonder aan de grond te lopen, maar als die dag de wind gedraaid blijkt, en er gemene brekers de havenmond binnenrollen, moet je toch uitwijken naar een andere haven. Als het stormt kun je misschien nog helemaal niet weg. Of moet je terug. Dan is het zaak je niet dagenlang te verbijten omdat je schema in het honderd loopt.

En soms moet het complete plan in de prullenbak. Zoals toen we naar Zeeland wilden, maar het met een blik op de lange termijnvoorspellingen toch de Waddenzee werd. Of toen de Duitse Wadden het doel waren, maar we uiteindelijk naar Normandië voeren. Het is dus niet ondenkbaar dat die Engelse tocht nog een jaar moet wachten.

Bovenal staat plannen haaks op het idee van lummelend varen dat een zomervakantie op het water ook zou moeten zijn. Ankeren en een dag ergens blijven liggen omdat het zulk mooi weer is en je wilt zwemmen en dat ene boek wilt uitlezen. Het anker lichten en naar een haventje verderop scharrelen, niet omdat het moet, maar omdat het kan. Ooit moet je terug, maar dat zie je dan wel weer.