Gij zult wel/niet bezuinigen

Het debat over saneren of stimuleren laait op. Dat het kabinet in 2013 niet extra bezuinigt, daar is vrijwel iedereen het over eens. Maar is 2014 dan wél verstandig?

Nóg eens 4 tot 5 miljard euro saneren in 2014? Eind april moet het kabinet-Rutte een plan voorleggen aan Brussel waarin het uitlegt hoe het denkt het Nederlandse begrotingstekort volgend jaar op maximaal 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) te krijgen. De vraag zal de komende twee maanden gaan over het ‘hoe’. Maar zij gaat intussen ook over het ‘waarom’. Want het debat over de economische politiek wordt steeds explosiever.

Om de discussie nog even terug te halen: er zijn twee manieren om tegen het probleem aan te kijken. De eerste is dat bezuinigen een eerste voorwaarde is. Als een overheid niet saneert, dan weten burgers en bedrijven dat de klap later komt en dan ook heviger wordt. Zij zullen, in afwachting van toekomstige lastenverzwaringen, hun gedrag nu al aanpassen en de hand op de knip houden. Nu saneren heeft daarentegen juist een positief effect. Het vertrouwen in een gezonde staatshuishouding neemt toe en werkt positief door in de economische groei. Een tijdige sanering is daarom goed voor de economie. En op de financiële markten zal dit worden beloond met een lage risicopremie en dus een lage rente op de staatsschuld, die de sanering alleen maar verder vooruit helpt.

Dit is, in grote lijnen, het recept dat de eurozone tot nu toe tijdens de crisis heeft gevolgd. Duitsland, het belangrijkste en meest kapitaalkrachtige land, is er een groot voorstander van. Vanuit Duits perspectief is dat niet verwonderlijk. De begroting van de overheid is vrijwel in balans, en staat er van alle eurolanden verreweg het beste voor. De Duitse economie groeit ook het hardst – of beter: het minst langzaam. En de rente op de Duitse staatsschuld is er het laagst. Vanuit het gezichtspunt van Berlijn zijn de bewijzen van het eigen gelijk dus overweldigend.

De andere gedachtenstroming staat daar lijnrecht tegenover. Hier fungeert de begroting juist als een schokdemper. Als een crisis wordt veroorzaakt door vraaguitval en hoge particuliere schulden, dan is het juist aan de overheid om in te springen. Dat daardoor het begrotingstekort oploopt en daardoor de staatsschuld stijgt, is niet slecht: het is de bedoeling. De economie blijft draaien, huishoudens en bedrijven kunnen hun schulden afbouwen tot ze weer bestedingsruimte hebben. En de impuls die de overheid zo aan de economie geeft, maakt dat in de toekomst het tekort en de staatsschuld door de economische groei vervolgens vanzelf worden weggewerkt. Door te bezuinigen saneert Europa zichzelf volgens deze zienswijze juist een depressie in. De bekendste, en meest luidruchtige, voorstander van dit standpunt is de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Paul Krugman die er in zijn blog bij The New York Times vrijwel dagelijks op los hamert.

Ergens tussen deze twee extremen vindt het huidige debat plaats. Hoe groot is de invloed van de overheidsfinanciën op de economie, de zogenoemde multiplier eigenlijk? Daarover is intens academisch debat. Is hij groter dan 1 dan lijkt een stimule-ringsbeleid zinvol en drukken bezuinigingen de groei. Maar is hij altijd hetzelfde, en geldt dit voor ieder land?

Het is bovendien niet alleen de vraag of er moet worden gesaneerd, maar ook hoe. Lastenverhogingen brengen het snelst geld op, maar zijn het slechtst. Bezuinigingen zijn beter, maar ingewikkelder in de uitvoering, en ze brengen pas later geld op. Structurele hervormingen zijn superieur, maar de vruchten daarvan komen nóg veel later. Dat helpt niet als het tekort acuut naar beneden moet.

Tot nu toe lijkt de balans in Europa dan ook uit te vallen in het voordeel van lastenverzwaringen: meer geld voor de overheid. De inkomsten van de staat stegen in de eurozone in de afgelopen vier jaar dan ook, van 44,9 procent van het bbp in 2008, naar 46,2 procent in 2012. Voor Nederland is dat 45,8 procent naar 46,6 procent, hetgeen suggereert dat lastenverzwaringen het de afgelopen jaren wonnen van bezuinigingen.

De praktijk zit de theorie dus al behoorlijk in de weg. En bovendien: zoals de scheidslijn tussen saneren en stimuleren lijkt, is hij niet. Geen van de betrokken landen in Europa heeft dezelfde uitgangspositie. Een land dat al begint met een hoge staatsschuld, zoals Griekenland of Italië, kan geen stimuleringsbeleid voeren omdat de schuld dan helemaal uit de hand loopt. Anderzijds is er een stevige zaak van te maken dat juist Duitsland, met zijn gezonde financiën, wél zou moeten stimuleren.

Toch zijn de posities over de hele linie van het debat langzaam aan het verschuiven. Juist deze week toonde Krugman, mede geïnspireerd door de Belgische econoom Paul de Grauwe een grafiek (zie hiernaast) waaruit onomstotelijk zou blijken dat saneringen alleen maar leiden tot krimp. Die grafiek leidde al snel een eigen leven, en lijkt hard op weg een icoon te worden van de anti-bezuinigers. Maar zo eenduidig als hij lijkt is hij niet. Bij een totale samenhang tussen sanering en krimp is de zogeheten ‘regressiecoëfficiënt’ 1. Krugman komt tot een getal van 0,84, wat suggereert dat saneren leidt tot zeer forse krimp. Maar veel wetenschappers halen in een puntenwolk als deze het meest extreme punt – de outlier– weg, als die de zaak te veel vertekent. Hier is dat Griekenland. Verwijder je dat uit de grafiek, dan bedraagt de regressiecoëfficiënt nog maar 0,37. Samenhang, maar niet overweldigend.

Het neemt niet weg dat, met de nog steeds sombere vooruitzichten na vier jaar van hard saneren, de voorstanders van begrotingsrekkelijkheid terrein lijken te winnen. Er was in Nederland de afgelopen twee maanden vrijwel geen econoom meer te vinden die van mening was dat er ook in 2013 bezuinigd moest worden als het begrotingstekort te hoog zou uitvallen. Ook niet onder de preciezen. Maar 2014? Het kabinet streeft ernaar om dan wél de 3 procent te halen, ook al vergt dat nieuwe maatregelen ter grootte van 4 tot 5 miljard euro. Of dat wijs is, daarover zal in de eerstvolgende weken de discussie gaan.

Vóór nieuwe ingrepen pleit dat Nederland er de begrotingsdiscipline in heel de eurozone mee steunt. Een ‘Duitse’ reputatie is voor Nederland bovendien veilig als de onrust in de eurozone weer mocht oplaaien. En bovenal mag niet worden vergeten dat uiteindelijk begrotingsevenwicht het streven is. Hoe eerder dat wordt bereikt, hoe beter.

Maar er zijn ook argumenten tegen. Nog eens 4 tot 5 miljard bezuinigen kan zorgen voor nóg een verloren jaar. Het Centraal Planbureau gaat dan wel uit van een economische groei van 1 procent in 2014, maar die verdampt waarschijnlijk als er opnieuw wordt bezuinigd. Wellicht zorgt een meevallende economische groei, als er niet wordt ingegrepen, er alsnog voor dat het begrotingstekort in 2014 op de verlangde 3 procent komt. Tegen pleit ook dat de landen in de eurozone die het zich kunnen permitteren een expansiever begrotingsbeleid zouden moeten voeren om de eurogroep als geheel uit de modder te trekken.

Weeg al die overwegingen maar eens tegen elkaar af. Het wordt interessant het debat daarover in de Tweede Kamer gade te slaan. Ook, hoewel lastiger te ontwaren, binnen de coalitie zelf. En wellicht ook al binnen de regeringsfracties. Het schisma tussen bezuinigen en stimuleren loopt inmiddels overal dwars doorheen.