De lange arm van Turkije reikt tot ver in Nederland Huiselijk geweld? Ook dat lost Turkije in eigen kring op

Turkse autoriteiten bemoeien zich meer en meer met de Turkse diaspora. Maar Turkse Nederlanders willen die sociale controle niet. Waar blijft vicepremier Asscher, vragen Froukje Santing en Lily Sprangers zich af.

De Turkse premier Erdogan in het Turkse parlement, 26 februari jl. Foto AFP

Vicepremier en minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken heeft dringend een spindoctor nodig. Een man of vrouw die hem kan adviseren hoe en wanneer het politieke machtsspel op scherp moet worden gesteld in een pluriforme samenleving als het huidige Nederland. Terwijl de bewindsman de afgelopen week via de Volkskrant bedaagd zijn visie op integratie ventileerde, stak de Turkse regering overkokend van conservatief nationalistische verontwaardiging de Nederlandse grens bij Lobith over.

De bottom line is dat Ankara het schandelijk vindt dat Turks-Nederlandse kinderen die uit huis worden geplaatst door Jeugdzorg, niet altijd in pleeggezinnen terechtkomen met een cultuur die dicht bij die van hun ouders staat. Dat riekt naar assimilatie, aldus de Turkse overheid. Dagblad Trouw berichtte dat Ankara zelfs overweegt om kinderen die bij christelijke en homoseksuele pleeggezinnen in Europa – ook België en Duitsland staan in de spotlights – zijn ondergebracht, desnoods terug te halen naar Turkije.

Volgens Ayhan Ustun, voorzitter van de Turkse parlementaire onderzoekscommissie voor de mensenrechten, hebben Turkse organisaties zelf druk op de Turkse regering uitgeoefend om te ageren tegen de in hun ogen kwalijke praktijk bij Jeugdzorg. Dat zal best het geval zijn, maar Ankara gaat zo wel voorbij aan het feit dat een groeiend deel van de tweede en opvolgende generaties migranten verbonden blijven met hun Turkse herkomst, maar in toenemende mate ook Nederlander zijn.

Elke spindoctor zou Asscher dan ook hebben geadviseerd om zijn agenda onmiddellijk schoon te vegen. Zijn integratienota te laten voor wat het is en massaal het gesprek op te zoeken met de Turkse-Nederlanders. Wat flikken jullie mij nou? Wat is jullie agenda? Er is niets mis met oprechte zorgen over de opvang in pleeggezinnen van Turks-Nederlandse kinderen, maar wensen over hoe dat mogelijk anders kan worden geregeld, worden in aanleg niet met de regering in Ankara besproken maar tussen Nederlandse instanties en Turkse Nederlanders hier.

Door van regeringszijde niet proactief de dialoog met de Turks-Nederlandse samenlevingen op te zoeken, wordt de Turkse inmenging in Nederland feitelijk indirect getolereerd. Een inmenging die al decennia aan de gang is, en die de afgelopen tien jaar is geïntensiveerd.

De laatste ontwikkeling in het verhaal van de lange arm van Ankara is de instelling eind januari van een Raad van bloedverwanten. Dit 70 leden tellende orgaan, waarin vertegenwoordigers van Turkse organisaties in het buitenland – ook Nederland – zitten, werkt onder auspiciën van het in 2010 ingestelde Ministerie voor Turken in het Buitenland. Deze Raad adviseert de regering specifiek over de verbetering van de positie van Turken in de diaspora.

Ankara eist daarin ook een rol voor zichzelf op. Een voorbeeld daarvan is het trainen in België vanuit het Turkse ministerie van Familiezaken in Ankara van specifiek Turks-Belgische sociale werkers. Dat gebeurt weliswaar in samenspraak met de Belgische overheid, maar het Turkse ministerie richt zich rechtstreeks tot deze vrouwen. Zij worden vervolgens geacht zich te ontfermen over de opvang van Turks-Belgische vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Ook al doen de praktijken zich in het buitenland voor, Turkije wenst dat in eigen kring op te lossen.

Die actieve opstelling is een weerspiegeling van het streven van de regering-Erdogan om het religieus conservatieve nationalisme in elke Turkse ziel te blazen of levend te houden. In dat licht moet mede ook de recente wijziging van de kieswet worden gezien. Turken in het buitenland hoeven niet meer naar Turkije te reizen om hun stem uit te brengen. Dat kan voortaan ook in het land waar ze wonen.

Het is een opstap naar ‘Italiaanse toestanden’. Daar zijn sinds 2001 twaalf parlementszetels en zes zetels in de senaat gereserveerd voor Italianen in de diaspora. De toenmalige rechtse regering in Rome handelde vooral uit politiek opportunisme. Italianen in het buitenland die de nadruk leggen op de bloedband, stemmen vanuit nationalistische overwegingen en dus overwegend conservatief. Een belangrijke reden waarom Ankara op termijn eenzelfde systeem nastreeft, aldus ingewijden hier in Nederland.

De Turkse inmenging is al veel langer aan de gang via Diyanet, het Turkse directoraat voor godsdienstzaken. Was de Nederlandse afdeling van Diyanet van oudsher verantwoordelijk voor de gang van zaken rond de moskee en het regelen van begrafenissen in Turkije, tegenwoordig ontplooit het ook meer en meer sociale activiteiten. Daar is op zich natuurlijk helemaal niets mis mee, maar bij Diyanet gaat de liefde voor de profeet wel hand in hand met de liefde voor de Turkse staat en het vaderland. Hoe verhoudt zich dat tot het door Asscher en anderen zo gewenste proces van integratie?

In 2011 luidde een tiental verontruste Turkse-Nederlanders de noodklok over de naar binnen gerichtheid van de Turks-Nederlandse gemeenschap en de bemoeienis met hen vanuit Ankara. „De Turkse overheid en Turkse religieuze organisaties”, schreven ze in een manifest, „houden zo grip op het leven van Turkse Nederlanders. Religieuze en politieke tegenstellingen blijven daardoor in Nederland actueel”. Met als gevolg, zo benadrukten ze, dat ook bij jongeren van Turkse origine stelselmatig een beroep wordt gedaan op hun loyaliteit aan de ‘gemeenschap’ waardoor de onderlinge afhankelijk in stand wordt gehouden en er minder ruimte is voor individuele keuzes en ontplooiing.

De gelegenheidsclub is ten onder gegaan aan interne onenigheid en niemand heeft het stokje tot nu toe overgenomen. De kritische massa in Turks-Nederlandse kringen lijkt momenteel dan ook weinig manifest of geeft er de voorkeur aan onopgemerkt zijn of haar gang te gaan.

Turks-Nederlandse organisaties zijn vijftig jaar na het begin van de massale arbeidsmigratie nog steeds een redelijk getrouwe afspiegeling van de politieke, religieuze en maatschappelijke groeperingen in Turkije. En met de mogelijkheid om in het buitenland de Turkse parlementsverkiezingen te beïnvloeden, lopen Turkse politieke partijen zich al warm in Europa. Er worden hier partijkantoren geopend en campagnes op gang gebracht.

Bovendien heeft de politieke polarisatie en economische onzekerheid in Europa, zeker ook in Nederland, tot gevolg dat menige Nederlander van Turkse origine vooralsnog moeite zal blijven houden met het finetunen van zijn loyaliteiten. Turkije gaat het, in tegenstelling tot grote delen van de wereld, economisch voor de wind. Er is daar veel om trots op te zijn en mogelijk om op terug te vallen.

De Nederlandse overheid op haar beurt heeft er bij migranten lange tijd de nadruk op gelegd om zich langs religieuze en etnische lijnen te organiseren, waardoor de primaire loyaliteit bij hun geloof en hun afkomst werd gelegd. Dat is ten koste gegaan van meer progressieve en seculiere krachten. Niet zozeer om de band met Turkije vast te houden, maar om de kennis van het Nederlands op te vijzelen heeft één van die organisaties, de Turkse arbeidersvereniging In Nederland (HTIB), de afgelopen maanden een oude discussie opgerakeld: het recht op onderwijs in de taal van het moederland. De vereniging wil, zich beroepend op Europese richtlijnen, dat via een rechtszaak tegen de staat der Nederlanden afdwingen.

Turks-Nederlandse jongeren kampen met de grootste taalachterstand in Nederland, aldus het Jaarrapport Integratie 2012 – mede omdat onderling nog steeds vrijwel uitsluitend Turks wordt gesproken. HTIB gelooft dat als op de basisschool ook de moedertaal van migranten wordt onderwezen, zij ook beter Nederlands leren. Wetenschappers verschillen van mening over de positieve effecten er van. Dat is de reden dat het Onderwijs in Allochtone Levende Talen (OALT) in augustus 2004 werd afgeschaft. Sinds die tijd zet de Nederlandse overheid in op het aanleren van Nederlands onder migranten.

Asscher zou er goed aan hebben gedaan om tussen alle Turkse Nederlanders in te gaan staan en zo tevens de Turkse overheid op afstand te houden. Daarmee zou in ieder geval de acceptatie van liberale Nederlandse normen en waarden (waar de bewindsman zo aan hecht) zijn gebaat. Toen vorig jaar op de jaarlijkse Gayparade in Amsterdam voor het eerst een aparte boot meevoer met Turkse-Nederlanders en sympathisanten uit Turkije, waren de rapen op menig internetforum gaar. Een echte Turk is níet gay. Aan nog meer en doorgaans vooral beperkende sociale controle hebben veel Turkse Nederlanders dan ook geen enkele behoefte.

Froukje Santing is freelance journalist en oud-correspondent van NRC Handelsblad in Turkije. Lily Sprangers is directeur van het Turkije Instituut