Column

Cultuurraad onteigent musea

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Wat is er het ergste aan het recente museumrapport van de Raad voor Cultuur? In iedere alinea staat een platitude, een flutstelling, een taalverzakking. Het is allemaal om immense jeuk van te krijgen. Maar het ergste is de greep naar de macht. De musea van Nederland worden geconfisqueerd.

We zijn in dit land veel halfbakken beleidsproza gewend. Maar het kan altijd erger. Het rapport Ontgrenzen en verbinden – naar een nieuw museumbestel is eind januari met een gaap ontvangen. We hadden wel wat anders te doen. De trein naar Brussel was ingevroren, de hypotheekrenteaftrek bungelde nog steeds.

De Raad voor Cultuur verdient hier een hoge Sovjetonderscheiding. Lees mee. ‘Van instellingen naar bestel’. Tot nu toe zelfstandige musea – de meeste niet van het Rijk - moeten worden opgenomen in een nationaal ‘bestel’, een soort half open inrichting voor hardleerse kunstbeheerders. Eigen traditie, zelf nadenken, eigen plannen leveren te weinig ‘collectierendement’ op voor de fictieve ‘Collectie Nederland’.

Musea doen er wel toe want „maatschappelijke identiteitsprocessen […] zijn zonder vitale musea nauwelijks voorstelbaar”, aldus de Raad. Sterker nog, de 400 Nederlandse musea waar de Museumkaart geldt, hebben in 2011 zo’n 18 miljoen bezoekers ontvangen, ruim een miljoen meer dan in 2010. Toch moet alles anders.

De 545 geregistreerde musea (waarvan 29 met rijkssubsidie) moeten gaan samenwerken. Volgens landelijk geëpibreerde plannen. Vooral niet op eigen houtje. Samenwerking is de universele wijsheid en toetssteen – wie braaf vergadert krijgt extra centjes. En „gebruikmakend van de beweging die in de maatschappij gaande is” worden de musea ondergebracht in ketens, onder leiding van een ‘kerninstelling’. Stel het Dordts Museum slaagt erin voor een Degas-tentoonstelling met het Musée d’Orsay samen te werken en voor Keith Haring met Tate Modern. Knap werk, maar de ketens moeten binnen Nederland, waar de Raad voor Cultuur koning is.

Hoe de brave new museum world er uit ziet schetst de Raad met ijzeren hand. „Dit advies plaatst bakens en piketpalen waar bestuurlijke maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen leiden alleen tot een beter bestel wanneer ze op een geloofwaardige wijze worden opgepakt door de museumsector zelf. Als uitgangspunt neemt de raad dan ook de collegiale samenwerking in de sector met daarin verticale, meer hiërarchische markeringspunten in de vorm van regie en toezicht.”

Wie niet spontaan de maatregelen ‘oppakt’ zal te maken krijgen met ‘hiërarchische markeringspunten’ in de vorm van ‘regie en toezicht’. Het eeuwige canon van de sturingsprofeten. Het wordt allemaal beter maar jullie moeten wel meedoen in mijn speelgoedhut. Anders krijg je klapjes. Dwang is helaas onvermijdelijk als je mijn geniale inzichten niet omarmt.

De musea zagen de bui vorig jaar al hangen: minder geld en meer instructies. Zij vroegen een deskundige commissie-Asscher-Vonk om raad. Deze constateerde in gewoon Nederlands dat musea moeten leren leven met de groeiende onverschilligheid van de overheid. Het devies: meer technisch-wetenschappelijke samenwerking, en samen publiek werven.

De musea vroegen de overheid ook om stabiele afspraken voor de langere termijn. Nu moeten zij steeds voor vier jaar hippe plannetjes opstellen in de hoop dat die in de smaak vallen bij de Raad, die weer nauw voeling houdt met wat op het ministerie de mode van de maand is. Nu dus ketensamenwerking. En ‘schatten ontsluiten’.

Het grappige van zo’n Raad voor Cultuur is dat zij geen merkbaar draagvlak of gezag heeft, maar de museumwereld verwijt haar legitimatie te hebben verwaarloosd. En vervolgens, net als het huidige kabinet, niet inziet dat wie zijn verantwoordelijkheden vermindert niet méér praatjes kan verkopen.

Deze Raad doet alsof Wim Pijbes (Rijksmuseum), Sjarel Ex (Boijmans), Charles Esche (Van Abbe), Marjan Scharloo (Teylers), Edwin van Huis (Naturalis) en al die andere directeuren van Nederlandse musea niet weten waar zij het over hebben. En ook nog koppig zijn. Alsof de Raad ze moet leren waar zij voor bestaan. Kleinere, vaak regionaal gebonden musea zijn kennelijk helemaal kansloos. Ook al heeft de rijksoverheid er vaak niets over te zeggen.

Zo’n rapport zou beledigend zijn als het niet zo onzinnig was. Wie zijn deze raadsleden met hun culturele visie en managementpraatjes? Wat bewoog de vorige staatssecretaris zo’n rapport te bestellen bij deze dwaallichten? Wat belet de huidige minister dit pak huiverproza in een ketenprullenbak te werpen?

De amechtige beleidsmolen rond de ‘culturele basisinfrastructuur’ illustreert dat het denken over publieke kunstfinanciering is vastgelopen. Het is goed dat toevallige politieke functionarissen hun smaak niet opleggen en advies vragen. Maar kunstadvisering komt te vaak van te nauw betrokken beroepsgenoten of van losgezongen fantasten, en te zelden van erudiete, onafhankelijke en wijze beschouwers. Het resultaat is dit soort kunstkoeterwaals.

Een van de weinige voordelen van de extreem ongelijke inkomensverhoudingen in de Angelsaksische wereld is dat serieuze rijken deskundige museumcuratoren kansen geven. Zie het Museum of Modern Art in New York. De gevorderde rijken in dit land beginnen hun taak voor de kunsten ook steeds meer te zien. Voorlopig zou een nieuwe adviesraad voor cultuur zonder machtsfantasieën geen luxe zijn.

U kunt de auteur e-mailen via opklaringen@nrc.nl