Chouchou

Zou Michael Boogerd nog kunnen slapen? Dag na dag druppelen nieuwe onthullingen over zijn dopingverleden de krant in. Over zijn gang naar Wenen bestaat geen twijfel meer. Over een factuur van 17.000 euro die hij aan dopingdealer Stefan Matschiner betaalde ook niet. Toch blijft hij zwijgen over bloedtransfusies. Hij wil alleen praten in de anonimiteit van de commissie-Sorgdrager.

Winnie is een schatje.

Michael Boogerd is verblind door zijn oude status. Lange tijd was hij de populairste renner van Nederland. Wekelijks gefêteerd door de media. Want: man met tekst. Meer nog: met Haagse bluf.

Uithangbord van Rabobank. Niet dat zijn palmares zo indrukwekkend is, maar hij belichaamde de VOC-mentaliteit van Balkenende. Strijdend ten onder. Tong uit de bek. Na de koers een festival van grimassen. De kopman als dwangarbeider.

Bestudeerde mythevorming.

Hij had dat demonstratieve van Thomas Voeckler. Het omkijken, het kwekken, dwingende gebaren van verontwaardiging, altijd camerageil. Het theatrale spel om toch maar gezien te worden.

Emoties met een strik.

Daarnaast was hij niet te beroerd voor een idyllisch plaatje met (ex-)vrouw en kind. Michael bewaakte de volksgunst als een labrador. In de ploeg had hij weinig vrienden. Hij koketteerde iets te veel met zijn status aparte. Zijn sociale antennes waren naar binnen gericht. Een carrière met weinig tegenspraak, niet van de ploegleiding, niet van de sponsor. Gedragen door de cultus van verhevenheid. Die ontsporing zie je nu terug in het nukkige zwijgen over zijn dopinggebruik. Nog steeds wil hij de chouchou van de polder zijn.

Boogerd was veertien jaar drama.

Pas aan het einde van zijn carrière heb ik hem zien verstillen. Zien verschralen in woord en gebaar. Wel nog zeuren over pijntjes hier, scheurtjes daar. Soms maakte hij van ongemak iets geheimzinnigs. Irritatie in de knieholte, maar wat het precies was, wist hij ook niet. Hij sprak graag over zijn kwaaltjes in de blijde verwachting dat zijn heldenstatus dan nog groter zou worden.

Tikje slachtofferisme.

De voorzitter van het Rabobestuur zei deze week dat hij door de renners voor de gek is gehouden. Bij de bank wisten ze niets van georganiseerd dopinggebruik. Ach, dat leugentje kan er ook nog bij. Rabobestuurders waren altijd present in de Tour. Ze bleven uren hangen in het rennershotel, het liefst in de nabijheid van renners. Met een lid van de raad van bestuur heb ik eens een paar uur zitten keuvelen over epo. Hij wist alles van het wonderproduct, als een medicijnman.

Team Blanco wordt nu onder handen genomen door een commando, gespecialiseerd in verhoortechnieken. Op verzoek van Rabobank. De renners als krijgsgevangenen. Alleen een dagje waterboarding ontbreekt nog.

Waanzin.

Het bewijst dat ze bij Rabobank doorslaan in de jacht op dopingzondaars. De obsessie om het blazoen te zuiveren gaat voorbij aan alle regels van fatsoen. Naar de integriteit van een rennersleven wordt niet meer omgekeken. Het zoveelste bewijs dat Nederlanders niet echt kunnen leven met de zondeval. Altijd dat doorschieten in emoties. Ik zou me als renner niet laten vernederen door zo’n militaire blafhond.

Nederlandse wielerploegen en -instanties zijn de weg kwijt. Ze hebben zich zelfs buiten het leven geplaatst met hun hang naar rituele zuivering. In het buitenland gaan ze iets pragmatischer te werk. Met meer respect voor de renners.

Laat Michael Boogerd maar sudderen in zijn schizofrenie. Ik dompel me vandaag ongeremd onder in de nostalgie van de Strade Bianche. Een zware Italiaanse koers over witte, onverharde wegen. Op maat van tempbeulen als Philippe Gilbert en Fabian Cancellara.

Doping doet er even niet toe.