Yvonne B. schuldig bevonden aan opruiing tot genocide in Rwanda

Rechtbanktekening ANP / Aloys Oosterwijk

De Haagse rechtbank heeft de 65-jarige Yvonne B. veroordeeld tot zes jaar en acht maanden cel voor haar rol in de genocide in Rwanda. Ze is schuldig bevonden aan opruiing tot genocide, heeft de rechtbank in Den Haag vandaag bepaald. Het OM had in november vorig jaar levenslang geëist tegen B.

Justitie achtte haar medeplichtig aan massamoord en schuldig aan uitlokken, opruien en samenspannen tot uitroeiing van Tutsi’s. Ze zou arme, ongeschoolde jongeren in haar wijk in de Rwandese hoofdstad Kigali het vuile werk hebben laten doen “zoals een commandant achter de hoge muren van haar woning betaamt”.

Volgens de advocaat van B., Victor Koppe, is zijn cliënt het slachtoffer van oplichters die haar vals beschuldigen om aanspraak te kunnen maken op haar bezittingen. Koppe had daarom om vrijspraak gevraagd. Koppe beschuldigde justitie er eerder van de rechtbank te hebben misleid door doelbewust cruciaal ontlastend bewijsmateriaal achter te houden. De 65-jarige B. werd eerder door een Rwandese rechtbank bij verstek tot levenslang veroordeeld voor haar betrokkenheid.

De rechtbank vond de opgelegde straf zelf ook te laag

De rechtbank in Den Haag stelde vandaag dat alleen opruiing is bewezen. De vrouw heeft volgens de rechtbank onder meer op openbare bijeenkomsten veelal kansarme jongeren aangezet tot het doden van Tutsi’s.

“Het opruien tot genocide vormde een belangrijke - zo niet onmisbare - schakel in de opeenvolging van gebeurtenissen die uiteindelijk zijn uitgemond in genocide.”

De rechtbank sprak N. echter vrij van genocide, poging tot genocide, moord, samenspanning tot genocide en oorlogsmisdrijven in haar woonomgeving in Rwanda in de periode tussen 1990 en 1994. De rechtbank gaf zelf aan de opgelegde straf te laag te vinden.

“De rechtbank beseft dat deze straf geen recht doet aan de buitengewone ernst van de door verdachte gepleegde feiten, maar kan geen andere straf opleggen.”

Voor opruiing tot genocide stond in de periode waarin de vrouw de misdrijven pleegde, tussen 1990 en 1994, maximaal vijf jaar gevangenisstraf. Omdat de verdachte zich daar meermaals schuldig aan zou hebben gemaakt, legde de rechtbank een celstraf van zes jaar en acht maanden op. Inmiddels is de maximale straf voor dit delict dertig jaar cel. “De rechtbank is echter gebonden aan de wetgeving die gold ten tijde van het begaan van de strafbare feiten.”

OM bekijkt of het zinvol is in beroep te gaan

Het Openbaar Ministerie zegt in een reactie aan nrc.nl tevreden te zijn met de vaststelling van de feiten door de rechtbank, maar het niet eens te zijn met de juridische qualificatie die de rechtbank daaraan heeft gegeven:

“De rechtbank erkent dat de verdachte wel degelijk jongeren heeft gerecruteerd en opgehitst tot het plegen van moorden op Tutsi’s in de Rwandese hoofdstad Kigali. Daar is het OM tevreden mee. Het OM vindt dat het ophitsen net zo goed het medeplegen van die moorden is. Die qualificatie volgt de rechtbank niet. Wij vinden dat de opruiers net zo moeten worden veroordeeld als de machetedragers zelf, en willen geen vrijhaven zijn waar de ophitsers buiten schot blijven.”

Tegelijk begrijpt het OM dat, door de tijdens de misdaad geldende regels, nu geen hogere gevangenisstraf kon worden opgelegd. Het OM gaat nu bekijken hoe de uitspraak is gemotiveerd en of het zinvol is om in hoger beroep te gaan. Daar heeft het twee weken de tijd voor.

Voor het eerst staat een Nederlander terecht bij genocide

De in Rwanda geboren Yvonne B. kwam in 1998 naar Nederland en kreeg in 2004 de Nederlandse nationaliteit. Ze wordt ook wel Yvonne N. genoemd, naar haar eigen achternaam. B. is de achternaam van haar man.

Justitie stelde eerder dat “Nederland dit soort misdrijven niet tolereert en dat het geen toevluchtsoord wil zijn voor mensen met bloed aan hun handen”. Het is voor het eerst dat een Nederlander terechtstaat voor genocide. Bij de genocide in Rwanda werden in 1994 naar schatting 800.000 mensen vermoord, 10 procent van de bevolking, 75 procent van alle Tutsi’s.

Rwandezen die verdacht worden van betrokkenheid bij de genocide van 1994, kunnen op diverse plaatsen worden vervolgd. Het Rwandatribunaal in het Tanzaniaanse Arusha, een speciaal gerechtshof dat is ingesteld door de Verenigde Naties, berecht de kopstukken. De meeste verdachten staan in Rwanda terecht, maar een aantal van hen zijn in landen als Nederland, Zweden en Noorgwegen berecht.

In een eerdere zaak rond de volkerenmoord in Rwanda werd de asielzoeker Joseph M. door het gerechtshof in Den Haag veroordeeld tot levenslang wegens het plegen van oorlogsmisdrijven. Aangezien M. niet de Nederlandse nationaliteit had, kon hij niet worden vervolgd voor genocide.