Wordt Amerika één groot Detroit?

Detroit is de bakermat van de moderne VS. Maar het verval is er verbijsterend. Een roetzwart beeld van een stad die elke nacht in brand staat.

Michigan Central Station, het monumentale treinstation in Detroit dat sinds 1988 niet meer wordt gebruikt Foto Hollandse Hoogte

Tot 2008 was Detroit het lachertje van Amerika. Alleen enkele kunstenaars waren nog geïnteresseerd in de autostad, waarvan grote delen zo vervallen zijn dat ze gebombardeerd lijken. Daar konden ze goedkoop wonen en bijvoorbeeld romantische foto’s maken van lege villa’s, ruïneuze theaters en in onbruik geraakte spoorwegstations. Maar de rest van Amerika had de stad, die in 1950 nog 1,8 miljoen inwoners telde en nu minder dan de helft, afgeschreven. ‘Het hele land lachte ons uit’, schrijft de in Detroit geboren en getogen Amerikaanse journalist Charlie LeDuff in de inleiding van zijn Detroit. An American Autopsy. ‘We werden gezien als een stelletje slecht opgeleide, onkundige blue collars. The Rust Belt.’

Na 2008 veranderde dit. Door de kredietcrisis raakten de autofabrieken in Detroit, General Motors, Ford en Chrysler, in de problemen en moesten ze met immense staatsleningen op de been worden gehouden. Uit de hele wereld kwamen journalisten naar Detroit, niet alleen om verslag te doen van de redding van de Amerikaanse autofabrieken, maar ook van het verbijsterende verval van de stad. In Detroit, eens de rijkste stad van Amerika die nu voor meer dan een kwart uit lege plekken bestaat, is de desastreuze toekomst van het hele land te zien, zo was de strekking van veel artikelen.

Charlie LeDuff beaamt dit in zijn boek dat besluit met ‘Evidence Detroit’, een fotoreportage van Danny Wilcox Frazier. In Detroit werd het moderne Amerika geboren, schrijft hij. Hier werden goedkope auto’s voor het eerst massaal geproduceerd, hier kregen arbeiders van autofabrikant Henry Ford voor het eerst hoge lonen zodat ze middenklassers werden en hier vond de leiding van General Motors in 1919 de afbetaling in termijnen uit.

Detroit is ook de bakermat van de betonweg, de koelkast, diepvrieserwten en grootschalige kredietverlening die een eigen woning binnen bereik van de gewone man bracht. Daarom kan de stad nu niet langer worden genegeerd. Want wat in Detroit is gebeurd, staat de rest van Amerika te wachten: ‘Buurten in Amerikaanse steden, van Los Angeles tot Miami, zijn bezaaid met lege huizen en bevolkt door mensen met werkeloze handen’, schrijft LeDuff.

In 2007 ging LeDuff terug naar zijn geboortestad Detroit, na twaalf jaar voor The New York Times te hebben gewerkt in onder meer Irak en Los Angeles. Met vrouw en dochter vestigde hij zich in een relatief welvarende, witte suburb, werkte eerst voor het dagblad The Detroit News en vanaf 2010 voor een lokaal televisiestation.

Detroit bestaat grotendeels uit bewerkingen van reportages, die hij de afgelopen vijf jaar over de stad schreef. Het zijn persoonlijke, rauwe stukken, vol dialogen in straattaal, waarin hij verslag doet van zijn tochten die hij alleen of met bijvoorbeeld brandweerlieden maakte.

Elke nacht brandt Detroit en moet de brandweer vele malen uitrukken om met tot op de draad versleten materieel brandende, leegstaande huizen te blussen. LeDuff raakt bevriend met de brandweerlieden, van wie er een dodelijk verongelukte bij het blussen van een huis dat in de fik was gestoken om verzekeringsgeld te innen.

WC-papier

LeDuff schetst een zwart beeld van Detroit. Het stadsbestuur is corrupt, burgemeester Kwame Kilpatrick moet naar de gevangenis na een omkoopaffaire en een seksschandaal, de politie sjoemelt met de misdaadcijfers en de topmanagers van de autofabrieken zijn volstrekt incompetent. Vooral de zwarte wijken – en dat zijn er veel, want de bevolking van Detroit is voor meer dan driekwart zwart – worden geteisterd door moorden, drugs en gang wars. Schoolkinderen moeten zelf wc-papier mee naar school nemen, omdat er geen geld voor is. Lijken in het mortuarium worden niet opgeëist omdat de nabestaanden de begrafenis niet kunnen betalen.

Toch voelt LeDuff zich thuis in Detroit. Hij maakt weer deel uit van een familie, al wordt ook die getroffen door de rampspoed die bij Detroit hoort. Zijn aan drugs verslaafde zuster is al lang geleden omgekomen bij een vreemd auto-ongeluk, en haar dochter, ook aan de drugs, sterft kort na zijn terugkeer in Detroit aan een overdosis. Een van zijn vier broers verdiende voor de kredietcrisis goed aan de handel in rommelhypotheken, maar werkt nu voor een hongerloon in een handelsbedrijf. Hier moet hij in China gemaakte schroeven herverpakken om de indruk te wekken dat ze uit Amerika komen.

Ook LeDuff zelf lijkt niet bestand tegen het alomtegenwoordige verval. Uitgebreid beschrijft hij hoe hij op een met drank overgoten avond tijdens een ruzie een stuk pizza in het gezicht van zijn vrouw wrijft. Ze belt het alarmnummer en de politie, die bij uitzondering snel ter plekke arriveert en tomatensaus voor bloed aanziet, rekent hem in wegens mishandeling. Het loopt met een sisser af. Na een nacht in de cel wordt hij vrijgelaten omdat zijn vrouw haar aanklacht niet doorzet.

Tezamen laten de reportages de neergang van de middenklasse in Detroit zien. Een arbeider in de Fordfabrieken verdient nu 14 dollar per uur. Dat is, gecorrigeerd voor de inflatie, drie cent minder dan de vijf dollar per dag die Henry Ford in 1914 betaalde, heeft LeDuff berekend. Maar de huidige arbeider heeft, anders dan die van een eeuw, geleden, geen contract meer, en werkt op afroep.

Toch overtuigt Detroit uiteindelijk niet als ‘autopsie van Amerika’, zoals de ondertitel luidt. ‘Ga je gang en lach Detroit maar uit’, schrijft LeDuff in zijn inleiding. ‘Want je lacht jezelf uit.’ Maar dat is nog maar de vraag. Want weliswaar kalft ook in de rest van Amerika de middenklasse af en neemt het proletariaat weer in omvang toe, maar dat het verval in andere Amerikaanse steden net zo heftig zal toeslaan als in Detroit, weet hij niet waar te maken. Dit komt vooral doordat hij zich niet met ‘geopolitiek en macro-economie’ wil bezighouden.

LeDuff beschouwt zichzelf nadrukkelijk als een verslaggever en niet als een journalist die achter zijn bureau de wereld doorgrondt. Maar hierdoor blijft het bewijs voor de stelling dat de rest van Amerika Detroit achterna gaat, heel mager. Veel verder dan de redenering dat Detroit het sterfbed van het moderne Amerika is, omdat het eens de bakermat ervan was, komt hij niet.

Wanbestuur

Hierdoor blijf je na lezing van Detroit achter met het knagende gevoel dat de armste stad van Amerika ook heel goed een uitzondering kan zijn. Zeker, elke grote Amerikaanse stad heeft zijn problemen en slechte wijken. Maar New York, dat in de jaren zeventig bijna failliet was, is er weer bovenop gekomen. En het liberale San Francisco is, met dank aan Silicon Valley, nog altijd een prettige stad in Californië.

Misschien is het onstuitbare verval van Detroit sinds de jaren zestig gewoon het gevolg van een buitengewoon ongelukkige samenloop van omstandigheden: van de-industrialisatie, grootscheepse corruptie en langdurig wanbestuur. Misschien was het te vermijden geweest.