Religieus geweld Indonesië neemt ieder jaar toe

De religieuze vrijheid in Indonesië brokkelt af. Knokploegen slaan toe en de politie treedt niet op. „Het is een groot en hardnekkig probleem.”

Soms worden ze getreiterd. Soms ondervinden ze hinder van onmogelijke bureaucratische regeltjes. En soms zijn ze slachtoffer van geweld. Maar de uitkomst is hetzelfde: minderheden in Indonesië hebben steeds minder vrijheid om hun geloof te belijden.

Dat concludeert Human Rights Watch, dat wereldwijd bekijkt of mensenrechten worden geëerbiedigd, gisteren in een uiterst kritisch rapport. „Wij hebben twee jaar aan dit rapport gewerkt en we waren verrast en teleurgesteld. We hadden niet verwacht dat religieus gedreven geweld en intimidatie zulke grote problemen zijn in veel delen van Indonesië”, zei HRW-directeur Phelim Kine gisteren bij de presentatie van het rapport.

Zo is er de katholieke kerk waar elke dienst verstoord wordt door een groep mannen die met stereotorens en megafoons loeiharde koranteksten scanderen. Zo is er de regel dat de bouwvergunning van een kerk of moskee alleen verleend wordt als het dorpshoofd en zestig inwoners toestemming geven. Probeer dan als minderheid maar eens een nieuwe gebedsruimte te regelen in een dunbevolkt gebied. En zo zijn er de korte berichtjes in de krant van vechtpartijen, brandstichtingen en moorden waar minderheden het doelwit zijn.

Toch blijft Ahmad Masikhuddin hopen op verbetering. De 26-jarige Ahmadiyah, een niet erkende minderheid in Indonesië, friemelt tijdens de persconferentie in Jakarta aan de pleister op zijn neus. Twee jaar geleden zat hij met een paar vrienden thuis in een dorpje op West-Java. Uit het niets werd hun huis aangevallen. De mannen krijsten dat ze een stelletje ongelovigen waren. Ze sloegen met stokken. Met een hakmes sneed een man zijn kleren van zijn lijf in een poging zijn genitaliën te verminken. Tegelijk bewerkte een andere man Ahmad’s gezicht met een stuk bamboe en verbrijzelde zijn neus, met blijvend letsel tot gevolg.

Het geweld hield pas op toen Ahmad zei: „Er is geen God dan Allah en Mohammed is zijn gezant”. Met die zin bekeerde Ahmad zich tot de erkende islam. Dat was voor de mannen genoeg. Ze hielden op te slaan en lieten Ahmad op de grond liggen. Drie van zijn vrienden werden die dag dood geknuppeld.

In 2010 waren er 216 gevallen van geweld tegen religieuze minderheden in Indonesië. Dat steeg tot 244 in 2011 en 264 vorig jaar. Met een bevolking van circa 250 miljoen inwoners en zes door de staat erkende religies (islam, katholicisme, protestantisme, hindoeïsme, boeddhisme en het confucianisme) lijkt het geweld absoluut gezien toch nog beperkt.

Indonesië kent ook een cultuur van verdraagzaamheid. Het is niet vreemd voor moslims om naar een katholieke middelbare school te gaan, ook al hangt Jezus in ieder klaslokaal aan het kruis. Het boeddhistische tempelcomplex Borobudur uit de negende eeuw wordt dagelijks bezocht door busladingen islamitische leerlingen. Gesluierd maken ze met hun smartphones foto's van de beelden van de stoïcijnse boeddha's zittend in hun stoepa.

Volgens Human Rights Watch gaat het niet zozeer om de cijfers, maar om de trend. „Er zijn meer incidenten en dat is verontrustend. Maar ze worden ook steeds gewelddadiger”, aldus Kine. „We zien vaker dat streng islamitische knokploegen hier achter zitten. ”

Wat de mensenrechtenorganisatie het meeste zorgen baart is dat de politie noch de centrale overheid aanstalten maakt religieus gedreven geweld in te dammen. De politie houdt zich afzijdig bij conflicten. Vaak zeggen politieagenten dat ze niet weten wat ze moeten doen, aldus Kine. „Ze krijgen geen instructies van hogerhand om de wet te handhaven.”

De wetgeving over de vrijheid van godsdienst is tweeslachtig, menen burgerrechtenorganisaties. Indonesië kent een verbod op godslastering, wat het mogelijk maakt aanhangers van een niet-erkend geloof zoals Ahmadiyah-moslims of atheïsten te vervolgen. Ook de rechterlijke macht schiet tekort. In 2011 doodde een knokploeg drie Ahmadiyah. De daders kwamen weg met een gevangenisstraf van nog geen jaar en de Ahmadiyah werden veroordeeld als aanstichters van onrust.

Ook politici geven het verkeerde signaal, zegt Human Rights Watch. In januari bekeerden 36 Ahmadiyah zich tot de sunnitische islam. Volgens de minister van religieuze zaken was dit een „positieve ontwikkeling”. Hij hoopte dat er meer het goede voorbeeld zouden volgen.

HRW roept Susilo Bambang Yudhoyono op in zijn laatste jaar als president haast te maken met de bescherming van minderheden.