Paus en wijn

‘Kijk toch eens! Wat prachtig, die kerkramen….’ Zat ik op een bustrip naar Lourdes die tijdens een tussenstop een zestiende-eeuwse kapel aandeed? Of was ik beland in een proeverij van miswijnen? Geen van beide. Deze ongelovige - hoewel, ik ben erg into Bacchus - zat gewoon in een restaurant waar naast mij iemand de glycerinesporen die langs de binnenkant van zijn glas naar omlaag bogen aan het bezingen was. ‘Dit is het kenmerk van een grote wijn’ hoorde ik hem tegen zijn gezelschap beweren. Fijn dat inderdaad sommige wijnen kerkraamvormige glycerinesporen achterlaten, maar dat verklaart de inhoud van het glas nog niet heilig. Voor je het weet komt er een nieuw bedevaartsoord.

Waar we nu eens niet een bloed huilende Maria mogen bewonderen, een ouweltje te zien valt waar we Jezus Christus in kunnen herkennen, maar waar we voor een glasbak van glas in lood een kaarsje mogen branden. Onterecht.

Voor kerkramen in het wijnglas geldt hetzelfde als voor medailles op het wijnetiket: ze zijn geen enkele garantie voor lekker. Gods vertegenwoordiger op aarde weet die dingen. De man die gisteravond zijn pontificaat aan de wilgen heeft gehangen, schijnt wat met wijn te hebben.

Dermate zelfs dat Paus Benedictus XVI in 2006 door het Gilde van Sommeliers in Rome is benoemd tot Ere Wijnkelner. De eer viel hem vooral te beurt omdat hij zichzelf tijdens zijn inauguratiespeech het jaar daarvoor had geafficheerd als ‘een nederig dienaar in de wijngaard van de Heer.’

Toen dat nieuws bekend werd ben ik eens een beetje om mij heen gaan bellen. Ik had namelijk geen idee wat een gelovige zoal te drinken kreeg tijdens de eucharistieviering. Miswijn, jazeker. Maar wat belandde er dan zoal in die bokaal? Wel wist ik dat er in het Spaanse Tarragona een Bodegas de Muller bestond, de officiële leverancier van het Vaticaan.

Maar wat voor soort wijn maakten ze daar nu precies voor de kerkelijke instantie? Mijn onderzoek leidde naar Tegelen, alwaar de plaatselijke abdij van trappisten zich als groothandel in miswijnen afficheert. Daar sprak ik met de vader abt die mij wist te vertellen dat de gelovige om te beginnen te maken krijgt met een puur natuurproduct, goedgekeurd door de Nationale Raad voor Liturgie.

Destijds had hij net twee dozijn pallets binnen gekregen van zijn vaste leverancier, een trappistenabdij, ook uit Spanje. Mooie wijn. Geen klachten. De vereiste 15 procent alcohol, zodat een aangebroken fles wat langer goed blijft als er in een parochie maar weinig eucharistievieringen zijn. En met een mooie muskaatsmaak.

Muskaat? Maar dan hebben we dus te maken met witte wijn? Vader abt bevestigde dat er wat meer belangstelling was naar deze soort en gaf daar een praktische reden voor: rood kon toch van die nare vlekken op het habijt geven. En ook op de volgende vraag ‘of er nog een beetje omzet wordt gemaakt in miswijn’ had hij een antwoord: ‘Toch wel, het bloed van Jezus wordt al zo lang niet meer geleverd.’