Obelix versus everzwijnen

Eindelijk kunnen we een van de grootste meesterwerken uit de klassieke Perzische literatuur in het Nederlands ontdekken. Onlangs verscheen een royale selectie uit de verhalen van Ferdowsi’s Shâhnâme, ofwel Boek der koningen, in een welhaast koninklijk te noemen gebonden uitgave, verlucht met miniaturen uit de mooiste bewaarde handschriften.

Het Boek der koningen wordt doorgaans, maar enigszins anachronistisch, omschreven als het Iraanse nationale epos, vooral het steeds terugkerende motief van de voortdurende strijd tussen Turks- en Perzisch sprekende volkeren in Centraal Azië. Het boek is omstreeks 1010 voltooid. Van zijn auteur, Abdolqasem Ferdowsi, weten we weinig meer dan dat hij afkomstig was uit Khorasan (hedendaags Noordoost-Iran) en dat hij zijn laatste dagen niet sleet onder een Perzische koning maar aan het hof van de Turkse vorst Mahmoed van Ghazna.

Ondanks zijn titel gaat de Shâhnâme minder over koningen dan over helden die geen koning zijn en het ook niet kunnen worden. De voornaamste held van de nu vertaalde delen is Rostam, een soort Perzische Hercules die voor zijn vorst zeven beproevingen doorstaat, waarin hij draken, duivels en andere monsters moet verslaan.

Uiteindelijk krijgt zijn onoverwinnelijkheid in het gevecht een tragische wending. In een duel doodt hij, als een omgekeerde Oedipus, een geduchte tegenstander die niemand anders blijkt te zijn dan zijn eigen zoon Sohrab: ‘Het verstand verwijderde zich van hem en de liefde toonde haar gezicht niet. Elk dier herkent zijn jong, of het nu een vis is in de zee of een ezel op de vlakte. Maar een mens kan soms, gekweld door begeerte, zijn vijand niet van zijn zoon onderscheiden’.

Slechte adem

Maar deze bladzijden kennen ook talloze andere onvergetelijke karakters, zoals Zâl, die met spierwit haar wordt geboren, en daarom door zijn ouders te vondeling wordt gelegd en vervolgens door een reusachtige vogel wordt grootgebracht; de koning van Mazandaran die in een rots verandert; de held Sohrab, die als een Perzische Obelix de strijd aanbindt met een horde everzwijnen; en niet te vergeten de Griekse bruid die vanwege haar slechte adem wordt verstoten door haar man, terwijl ze al zwanger is van de zoon die later koning Iskender (Alexander de Grote) zal worden.

Zo beschreven lijkt de Shâhnâme vooral te bestaan uit losse helden- en koningsverhalen, maar Ferdowsi heeft er samenhang aan gegeven door voortdurend terug te komen op grote thema’s, zoals de terugkerende strijd tussen de Turkse en Iraanse volkeren van Centraal-Azië. Dat maakt het verleidelijk om het boek als Perzisch-nationalistisch werk te lezen, zoals in het verleden dikwijls is gedaan. Chauvinistisch is het echter beslist niet. De strijd tussen Turken en Perzen wordt hier minder als een rivaliteit van aartsvijanden afgebeeld dan als een uit de hand gelopen familieruzie: de mythische voorouders van beide volkeren worden gepresenteerd als broers.

Lange tijd is Ferdowsi’s boek gelezen als een verheerlijking van het koningschap. De grootste helden van het boek, zoals Rostam, zijn juist geen koning, en het boek telt ook heersers die wreed, laf of anderszins het koningschap onwaardig zijn. Opvallender is de onmiskenbare verheerlijking van het voorislamitische verleden. De bad guys zijn eerder de islamitische Arabieren dan de heidense Turken.

Heldenverhalen

In de klassieke Perzische literatuur heeft Ferdowsi een unieke positie. Hij put deels uit mondelinge tradities, deels uit – grotendeels verloren gegane – geschreven bronnen, en staat meer dan enig ander dichter aan de basis van wat doorgaans de Nieuwperzische literatuur wordt genoemd. In de latere Perzische poëzie staat veeleer de liefde, en dan vooral de mystieke liefde tot God, centraal.

Toch zijn de heldenverhalen van de Shâhnâme altijd populair gebleven. Eeuwenlang zijn ze overgeleverd, zowel schriftelijk in chique verluchte manuscripten voor heersers, als mondeling en in lokale talen of dialecten voor ongeletterde dorpelingen. Vanaf de 19de eeuw verwierf het boek een nieuwe status als Perzisch nationaal epos.

Eén van de redenen voor de duurzame populariteit van de Shâhnâme is de relatief eenvoudige taal die Ferdowsi gebruikt. Zijn verzen bevatten veel minder Arabische leenwoorden, complexe metaforen, of mystieke toespelingen dan de taal van latere meesters zoals Roemi en Nizami.

De nieuwe Nederlandse vertaling is niet volledig, maar dat geldt voor de meeste hedendaagse edities in westerse talen. De Shâhnâme is dik en vooral de tweede, meer historische helft van het werk bevat uitvoerige beschrijvingen van de veldslagen die de opeenvolgende koningen van Perzië hebben gevoerd. Vertaalster Marjolijn van Zutphen heeft ervoor gekozen alleen de legendarische verhalen uit het eerste deel van het boek te vertalen. Ook besloot ze om Ferdowsi’s rijmende verzen in doorlopend proza te vertalen. Beide keuzes zijn goed te verdedigen. Ze maken de enthousiast geraakte lezer alleen maar nieuwsgierig naar meer.