Kamer bezorgd over leenstelsel

Drieduizend studenten minder bij een sociaal leenstelsel? De Kamer betwijfelt dat. Minister Bussemaker moet haar huiswerk overdoen.

Als er een sociaal leenstelsel komt, welke jongeren zien dan af van een opleiding in het hoger onderwijs? Zijn dat vooral kinderen uit minder welgestelde families?

De Tweede Kamer sprak gisteren met minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) over de door het kabinet voorgestelde invoering van het sociaal leenstelsel. Wat iedereen wilde weten: hoeveel jongeren gaan straks niet studeren doordat de basisbeurs wordt afgeschaft? Het Centraal Planbureau (CPB) rekende het op verzoek van Bussemaker uit en kwam op 3.000 eerstejaars per jaar minder.

Volgens de oppositie is met die berekening van alles mis. Zo maakt het Planbureau in zijn modellen geen verschil tussen uit- en thuiswonende studenten en is afschaffing van de ov-jaarkaart niet meegerekend. Ook gaat het CPB uit van een langdurig lage rente, terwijl de oppositie bang is dat veel meer jongeren van een studie zullen afzien als de rente weer gaat stijgen.

D66-Kamerlid Paul van Meenen, wiskundige, is „niet onder de indruk van de modellen van het CPB”.

Minister Bussemaker zelf heeft ook behoefte aan meer onderzoek. Ze vertelde dat er tot de zomer vier rapporten zullen verschijnen over de mogelijke effecten van de invoering van een sociaal leenstelsel. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de onderzoeksinstanties ResearchNed en het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS) mogen allemaal hun zegje doen.

Bussemaker had het gisteren niet makkelijk. Ze heeft de steun van een aantal oppositiepartijen nodig om haar plannen door de Eerste Kamer te krijgen. Maar D66 en GroenLinks, partijen die in hun verkiezingsprogramma pleitten voor de invoering van een leenstelsel, zijn nog niet overtuigd. Jesse Klaver van GroenLinks was duidelijk: als er geen geld bijkomt om onder meer het collegegeld te verlagen en de aanvullende beurs voor studenten uit arme gezinnen te verhogen, zegt hij „njet”.

Ook Paul van Meenen van D66 constateerde dat de zorgen van zijn fractie „niet waren afgenomen”. Hij gaf het kabinet een schot voor de boeg. „Elke euro die het kabinet bij de extra bezuinigingen kort op onderwijs, brengt de invoering van het leenstelsel verder weg.”

Kamerlid Harm Beertema van de PVV, tegen een leenstelsel, was niet onder de indruk van de protesten van D66 en GroenLinks. Hij meende dat D66 „bovenaan het bangalijstje” van de coalitie stond. „Makkelijk te doen als het op nieuwe bezuinigingen aankomt.”

Bussemaker zei in reactie op de zorgen van de Kamerleden dat zij niet wil dat jongeren die hoger onderwijs kunnen volgen daarvan afzien om financiële redenen. Ze plaatste de door het CPB voorspelde mogelijke uitval van 3.000 studenten wel in perspectief. „In het hbo stoppen na het eerste jaar 12.000 studenten met hun opleiding, omdat ze het niveau niet aankunnen of omdat het niet is wat ze ervan verwacht hadden. Misschien behoren studenten uit die groep tot de jongeren die geen hoger onderwijs volgen als er een leenstelsel is.” Dan verliest het hoger onderwijs per saldo dus geen studenten, was haar boodschap.

Aan het eind van het debat zei de minister dat ze met alle opmerkingen van de Kamer naar de tekentafel gaat. De lijst met wensen van de oppositie is lang, en elke ingreep om de effecten van de invoering van het leenstelsel te verzachten kost geld. Dat geld – 800 miljoen euro door het afschaffen van de basisbeurs en 400 miljoen door het schrappen van de ov-kaart – heeft ze nodig om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

Bussemaker heeft weinig tijd om de gordiaanse knoop te ontwarren. De wet moet in september af zijn, zodat hij in 2014 kan ingaan.