Het losse zand zit overal

Ook in zijn Mogelijke memoires zoekt Herman Brusselmans naar de bodem van de put. Wie zijn werk navertelt, heeft eigenlijk nog niets gezegd.

Tekening Paul van der Steen

In zijn nieuwe roman Mogelijke memoires schrijft Herman Brusselmans dat zijn hele oeuvre en ook zijn afzonderlijke boeken ‘als los zand’ aan elkaar hangen. Dat is waar, probeer ze maar eens na te vertellen. In de meeste gevallen lukt het niet of nauwelijks, en als het lukt heb je eigenlijk nog niets gezegd. De stroom van anekdotes, mijmeringen, grappen, meningen en uitvallen laat zich onmogelijk in een paar zinnen samenvatten. Toch zijn weinig oeuvres binnen de Nederlandstalige literatuur zo herkenbaar als dat van Brusselmans. Een bladzijde van hem haal je er meteen uit; die kan maar door één man zijn geschreven.

In dat oeuvre is er eerder sprake van variatie dan van ontwikkeling. Ook in eigen ogen schrijft Brusselmans steeds hetzelfde boek, maar wel telkens net even anders. Dat geldt opnieuw voor Mogelijke memoires, waarin de ervaren Brusselmans-lezer veel bekends zal terugvinden. De variatie zit ogenschijnlijk vooral in het ‘mogelijke’ karakter van de memoires, waarmee de schrijver zich een riante vrijbrief heeft gegeven om er eens flink op los te fantaseren. Over een blinde grootvader die Joods zou zijn, over een broer die met sigarettenpeuken de Eiffeltoren wil nabouwen, over een vader die trambestuurder in Brussel is, over een klasgenootje dat zelfmoord pleegt (tijdens de begrafenis laat de jonge Herman zich seksueel inwijden door diens moeder, terwijl diens vader hem bekent eigenlijk homoseksueel te zijn), over vriendinnetjes en voetbalwedstrijden. Alles gelardeerd met talloze zowel flauwe als geslaagde grappen.

Leuk zijn de caféscènes in gezelschap van grootvader Frans, waarbij de jonge Herman nog geen trappist mag drinken (maar wel pils) en er al op negenjarige leeftijd over peinst om zichzelf klem te zuipen, ‘vanwege de zinloosheid van alles’. Ook grappig zijn de brieven die Herman naar allerlei beroemde schrijvers stuurt, waarna hij ophoudt hun werk nog te lezen als hij geen antwoord krijgt of als het antwoord hem niet bevalt. Het is Brusselmans in zijn vertrouwde rol van literair cabaretier. Smeuïge Vlaamse lol, die zeker voor de Noord-Nederlandse lezer altijd iets exotisch blijft houden.

Niet minder vertrouwd is de hypochonder Brusselmans, die we hier al als kind tegenkomen. Met even vage als hevige angsten wordt hij, vijftien jaar oud, in het ziekenhuis opgenomen. Maar ook leren we hem kennen als een kleine betweter, die iedereen ongevraagd corrigeert en die door zijn vader menigmaal (al dan niet met een klap voor zijn kop) het zwijgen wordt opgelegd. Twaalf hoofdstukken lang vermaakt Brusselmans ons met zotte taferelen uit zijn jeugd. En dan, aan het eind van het twaalfde hoofdstuk, wordt dit relaas van reële en verzonnen herinneringen onderbroken. Opeens klinkt er een andere stem, die zegt het niet meer vol te houden ‘in de inktzwarte nacht van de koude meimaand 2012’. Opeens zitten we in een ander verhaal.

Het dertiende hoofdstuk heeft vervolgens nog het meest van een intermezzo. Beschreven wordt een rondleiding door Brusselmans’ zoon Tom op een tentoonstelling naar aanleiding van het dertigjarig schrijverschap van zijn vader. Het pakt uit als het meest hilarische hoofdstuk van de roman, een aaneenschakeling van dwaze dialogen, waarin het gezelschap en zijn gids van de hak op de tak springen. De waarheid schuilt in de details, hoor je wel eens; hier slokken de details de waarheid op. Want elke aanleiding blijkt goed voor een idiote uitweiding of absurd zijspoor. Onder het motto ‘En zo heeft iedereen wel een verhaal’, laat Brusselmans (die zelf op de tentoonstelling uit het zicht blijft) dit hoofdstuk vrolijk ontsporen.

En dan komt hoofdstuk veertien, dat aansluit bij de onderbreking in het twaalfde hoofdstuk en dat bijna tweehonderd bladzijden voortduurt, één lange woordenstroom met zelfs nauwelijks een onderverdeling in alinea’s. De voorafgaande dertien hoofdstukken hadden we net zo goed kunnen overslaan, krijgen we te horen; er staat toch alleen maar ‘onzin’ in: ‘Ik kan het weten, want ik schrijf al die bullshit’. Het enige wat telt is dit veertiende hoofdstuk, waarin Brusselmans alle eerdere verzinsels weer afbreekt. Zijn grootvader was niet blind of Joods, zijn vader was een veehandelaar en geen trambestuurder, hij zelf was juist een verlegen kind en hij heeft geen zoon – alleen dat hij altijd zielsveel van zijn moeder heeft gehouden klopt wel. De suggestie is dat nu het uur van de waarheid heeft geslagen. Een buitengewoon bitter uur bovendien.

In hoeverre dat echt zo is, kan ik als buitenstaander niet bepalen, maar binnen het literaire spel is de suggestie voldoende voor het effect. Bovendien herkennen we de situatie waarin de verteller verkeert van Brusselmans’ op één na vorige roman Watervrees tijdens een verdrinking (2012). Daarin schreef hij over zijn stukgelopen huwelijk – in deze Mogelijke memoires blijkt de band met zijn ‘Lio’ nog steeds niet hersteld. Nog elke nacht krijt Brusselmans zijn nood uit, niet in staat om te begrijpen, laat staan te accepteren dat zijn geliefde hem heeft verlaten. De vrouw voor wie hij (als zijn wondervrouw ‘Phoebe’) een literair monument heeft opgericht, blijkt nu alleen nog bereid om zijn eten te koken en op hun hondje Eddie te passen. De eenheid van vroeger is voorgoed verbroken.

Elke nacht, tot aan de vroege ochtend, zit Brusselmans achter zijn computer, kijkt televisie, leest een boek, sms’t met vage vriendinnen (maar seks heeft hij al in geen twee jaar gehad, alle geile fantasieën ten spijt), steekt de ene sigaret na de andere op, gaat naar de wc en zoekt ‘binnen z’n vier muren continu de bodem van de put’ op. De fantasie die hij in de eerste dertien hoofdstukken op zijn verleden heeft losgelaten, is daarbij slechts een van de middelen om het hoofd boven water te houden. ‘Ik kruip van m’n ene bestaan naar m’n andere en vice versa en m’n lijf en leden zijn lam’, zegt hij er zelf van. Want helpen doet al dat verzinnen niet echt. Aan de andere kant, als je niet fantaseert ‘kun je net zo goed onder een laag beton van twee meter gaan liggen’.

Subtiel is Brusselmans nog steeds niet, wel rauw en onopgesmukt: ‘Mijn God, wat ben ik eenzaam’. En hij blijkt voorzien van een snerpende nostalgie naar het verleden, voordat de ‘moderne tijd’ toesloeg, het verleden van zijn jeugd en van zijn ouders die tenminste altijd bij elkaar zijn gebleven. Vandaar de behoefte om zich aan zijn memoires te wagen. Daarnaast maakt Brusselmans zich druk om het leed in Syrië en keert hij zich tegen de gevreesde islamisering uit naam van de westerse cultuur en het christendom, met een verrassende appreciatie voor het katholicisme van weleer. Uiteindelijk draait alles echter om zijn eigen lot; de dreigende wereldondergang is slechts een uitvergroting dáárvan. Als een ten diepste gekrenkt kind vraagt hij zich wanhopig af hoe het met hem verder moet.

De bijna tweehonderd bladzijden van deze monologue intérieur, vol zelfbeklag, frustratie, gekanker en gemekker (onder andere over kat en hond die ook al niet goed met elkaar overweg kunnen), trekken beslist een wissel op het lezersgeduld. Onvermijdelijk kijk je af en toe op de klok, terwijl Brusselmans zich als een ‘bezetene’ door zijn slapeloze nachten worstelt. Tegelijkertijd wordt meer dan ooit voelbaar hoe smal de grens is tussen dit maniakale schrijven en het echte leven: het losse zand zit overal. Van zo’n benauwende eenheid van inhoud en vorm komt ook de lezer in ademnood, maar een groter compliment kun je de schrijver van deze roman waarschijnlijk niet maken.