Grootvaderlijke kattenbelletjes

Jeanne Lampl-de Groot, ‘godmother’ van de psychoanalyse hier, schreef haar leermeester in Wenen en kreeg van Freud steeds antwoord.

Jeanne Lampl-de Groot in 1935 archief van E.& R. Berkovits-Lampl

Freud heeft duizenden brieven geschreven. Veel van die correspondenties zijn na zijn dood gepubliceerd. De briefwisseling met Jung bijvoorbeeld, en met Sandor Ferenczi, Wilhelm Fliess en Lou Andreas-Salomé. Wie zich wil verdiepen in de tumultueuze geschiedenis van de psychoanalyse heeft aan deze secundaire literatuur interessant materiaal, met als bonus dat Freud goed kon schrijven.

Nu zijn de brieven van Freud aan Jeanne Lampl-de Groot uit de jaren 1921-1939 verschenen. Lampl-de Groot (1895-1987) was de godmother van de psychoanalyse in Nederland. Zij volgde in de jaren twintig haar opleiding tot psychiater in Wenen en heeft voor haar leeranalyse bij Freud zelf op de divan gelegen. Deze niet eerder gepubliceerde brieven zijn door psychiater en psychoanalytica Gertie Bögels opgedoken uit het Freud-archief in Washington, vertaald, van noten en een inleiding voorzien.

Nieuwe Freud-teksten wekken verwachtingen, zoals dat gaat met intellectuele zwaargewichten. Spijtig genoeg stelt het boek teleur. De echte Freud-aficionado zal ongetwijfeld blij zijn met elk nieuw snippertje, maar deze brieven zijn behoorlijk saai. De meeste ontstijgen nauwelijks het niveau van kattenbelletjes: dankbetuigingen voor de ontvangen brief, weerberichten, nieuwtjes over familieleden, plannen voor de zomer, complimentjes voor haar twee jonge kinderen en beknopte voortgangsverslagen van zijn medische beslommeringen (Freud kampte de laatste vijftien jaar van zijn leven met kaakkanker).

Leeftijdsverschil

De toon is vriendelijk en welwillend, grootvaderlijk zou je kunnen zeggen, en niet erg persoonlijk. Daarvoor zal het leeftijdsverschil van bijna veertig jaar te groot zijn geweest. De rolverdeling tussen hen van leermeester/goeroe en weetgierige, bewonderende leerling lag vanaf het begin vast en daar kwam geen verandering in.

Dat Freud niet het achterste van zijn tong liet zien in zijn brieven aan Jeanne Lampl-de Groot is begrijpelijk. Zij was voor hem gewoon een van zijn leerlingen (volgelingen), iemand wie hij een warm hart toedroeg en die hij steunde als ze een beroep op hem deed, maar een intieme correspondente was zij niet. Dat er toch ruim zeventig brieven zijn komt doordat de brief in de jaren twintig en dertig de aangewezen manier was om met elkaar contact te houden.

Al snel in de loop van deze brievenserie begint het te ergeren dat er maar één schrijver is. Lampl-de Groot had bij haar terugkeer uit Berlijn naar Nederland in 1938 aan Anna Freud opdracht gegeven om haar brieven aan Freud te vernietigen. Dit is ook gebeurd, toen de familie Freud naar Londen vluchtte. Het ontbreken van haar aandeel betekent dat ook het drama uit de correspondentie is verdwenen.

Blijkens Freuds meelevende en geruststellende antwoorden had Jeanne het af en toe zwaar te stellen met de neurotische (psychotische?) aanvallen van haar man Hans Lampl, ook psychoanalyticus. Daar zou je als lezer op zoek naar een beetje spanning dan wel het fijne van willen weten. Niet eens uit brandende nieuwsgierigheid alswel omdat brieven van iemand die haar hart uitstort boeiender leesstof vormen dan brieven van iemand die troost en bemoediging uitdeelt.

Er passeert ook heus wel enige roddel over patiënten of een uitval naar vijandige collega-psychoanalytici, behulpzaam verklaard met noten. Ook refereert Freud af en toe aan de opkomst van de nazi’s en de sfeer in Wenen die steeds grimmiger wordt. Erg diep gaat hij er niet op in, waarschijnlijk had hij daar andere correspondenten voor. De brieven aan Jeanne zijn vooral beschermend van toonzetting.

Er viel mij één (freudiaanse?) eigenaardigheid op: twee maal schrijft hij iets over ‘tante Minna’ die ziek is en later weer aan de beterende hand. Minna Bernays was de ongetrouwde zuster van zijn vrouw met wie hij het goed kon vinden (sommige Freudvorsers menen dat die twee een affaire hebben gehad – biograaf Peter Gay meent van niet). Maar waarom refereert hij aan zijn schoonzuster als ‘tante’? Hiermee neemt hij het perspectief van zijn kinderen over, maar om welke reden? Hier had ik wel een verklarende noot over willen lezen.

Deze brieven van Freud blijven dus steken in een front van licht afstandelijke vaderlijkheid. Geen existentiële twijfel, geen innerlijke roerselen, soms wat gemopper over financiële akkefietjes. Ook over zijn ziekte doet hij zijn uiterste best om zijn correspondente niet ongerust te maken. Best aardig om te lezen, maar vergeleken met andere Freud-brieven niemendalletjes.