Grenzen aan vergelding

Slachtoffers zijn een populair politiek en media-frame: verongelijktheid als dwingend perspectief op de wereld. Het populisme drijft er op: feitenvrije politiek is het gevolg. In de media is het benarde slachtoffer een favoriete invalshoek: herkenbare emotie is aantrekkelijk infotainment. De kijker lust er wel pap van. Geen hype of parlementair vragenuur ook, zonder nieuwe slachtoffers.

Intussen komt niet alle ellende van buiten. En niet alle pech is puur: eigen gedrag kan ook meespelen. Maar dat is taboe. Stil gedragen leed begint zeldzaam te worden. Er moet een schuldige worden gevonden, met wie afgerekend kan worden, in de rechtszaal, maar op tv of internet kan ook. Geen straf is hoog genoeg. Al het leed moet vergolden. Alle vragen dienen beantwoord. Het is het negatief van de maakbare samenleving: ook het noodlot moet nu op het matje komen.

In dit zwart-wit spel trekken verdachten automatisch aan het kortste eind. Wie verdachten principieel gelijk stelt aan burgers is een ‘daderknuffelaar’ en krijgt onderuit de zak. Ten onrechte natuurlijk. Maar een feit is het wel.

Op dit ongure opinieklimaat speelt het voorstel van staatssecretaris Teeven (justitie, VVD) in om de rechten van slachtoffers in het strafproces verder uit te breiden. Vorige week presenteerde hij een omvangrijk pakket nieuwe rechten. De mogelijkheid voor de slachtoffers om bij de rechter een eigen ‘strafwens’ uit te mogen spreken trok de meeste aandacht en dito weerstand.

De rest van het pakket is nauwelijks voor kritiek vatbaar. Zeker, de namen van slachtoffers dienen in de strafrechtketen beter te worden beschermd. Bij tijdelijke vrijlating van daders moet de mogelijkheid van gebied- of contactverboden worden bekeken. Het kabinet verdient met nadruk lof omdat het herstelrecht verder wil ontwikkelen. Dat zijn bemiddelingsgesprekken tussen dader en slachtoffer, vooral gericht op vereffening van de emotionele schade en herstel van vertrouwen. Herstelrecht wordt nu onderbenut.

Belangrijk is ook wat Teeven niet voorstelt. Hij gunt het slachtoffer niet, naar Duits voorbeeld, de rol van een echte procespartij, een Nebenklager met een eigen recht op hoger beroep als het vonnis niet bevalt. Of het recht om getuigen op te roepen. Daarmee laat hij het huidige strafrecht intact en de officier in zijn rol. Die keus is juist en relativeert ook de politieke bezwaren tegen de ‘strafwens’. Inderdaad, een vrijer spreekrecht kan illusies wekken en voor teleurstelling zorgen. Maar dat kan nu ook.

De professionele strafrechter blijft in het proces de baas, zoals het hoort. Die moet ook een emotioneel uitgesproken strafwens aankunnen. En op maat brengen. Daarin bestaat alle vertrouwen.