'Genua is geen pleaser'

Vijf jaar geleden bleef Ilja Leonard Pfeijffer plakken in Genua. ‘Ik ben een ander mens geworden’, zegt hij tegen Thomas de Veen. Is hij nog dezelfde schrijver, vraagt Arjen Fortuin zich af.

r schuift een jonge Italiaanse theateracteur aan, Beppe, een Genuese vriend van Ilja Leonard Pfeijffer. De twee hebben het even over de Italiaanse verkiezingen. „Die Grillo,” zucht Pfeijffer. „Ik verwacht niet veel van hem. Mensen vallen voor zijn antigeluid, maar gauw genoeg zal blijken dat hij verder geen ideeën heeft. Hij heeft nauwelijks een programma. Hij is een komiek, geen politicus.”

We zitten al een paar uur op het Piazza delle Erbe, de habitat van schrijver, dichter en columnist Ilja Leonard Pfeijffer. Op de eerste bladzijde van zijn nieuwe roman La Superba schrijft hij al over het kleine pleintje, vlakbij zijn huis in het oude centrum van Genua. De straatstenen lopen heuvelafwaarts, de omringende huizen torenen hoog boven het plein uit. Op een terras zitten kan hier al in februari. „Alleen al het klimaat is een reden om hier gelukkig te zijn”, zegt Pfeijffer. „Toen mijn vriendin en ik in 2008 de belachelijke toer ondernamen om vanuit Leiden naar Rome te fietsen, brachten we hier drie rustdagen door. We zijn wel doorgefietst naar onze bestemming, maar bij aankomst verlangden we terug naar Genua – ik ben teruggegaan en nooit meer weggegaan. Ik was verliefd geworden op deze stad, op het labyrint van straatjes en steegjes dat ik van geen andere plaats ken. Sommige steden zijn pleasers: Parijs, daar vind je zo gemakkelijk indrukwekkende dingen, daar kan iedereen van houden. In Genua moet je een beetje moeite doen om de charme te ontdekken.”

Genua is mooi en hardvochtig, schrijft Pfeijffer in La Superba, aanlokkelijk en overmoedig – de bijnaam van de stad heeft meerdere connotaties. ‘Zij is als een hoer die lonkt, maar die je nooit de jouwe zult kunnen noemen,’ staat er in de roman.

Volgens Pfeijffer ligt de charme van de stad in de steegjes en op de pleintjes. „Het is de enige Italiaanse stad waar prostituees in het centrum te vinden zijn. Niet dat ik tot hun clientèle behoor, maar het draagt wel bij aan de sfeer.” Pfeijffer wijst naar het stukje muur tussen Bar Berto en een naamloze trattoria, waar aan een regenpijp een rattenval bevestigd is. „Dat ding zit er al tijden. Ik denk niet dat hij werkt. De derattizzazione is in corso, staat op de gemeentelijke stickers die hier overal hangen, maar de ratten laten zich niet verdelgen. Ze horen ook bij de stad.”

In La Superba moest de stad meer zijn dan een decor, zegt Pfeijffer. De ratten, de onbereikbare lonkende hoer – ze komen allemaal terug in de roman, met metaforische betekenis. Het labyrint is ook een metafoor voor verdwalen in een verhaal dat je verzint over jezelf: op een gegeven moment kom je er niet meer uit.”

De verleidelijke hardvochtigheid van de havenstad wordt weerspiegeld in het belangrijkste thema van het boek: de droom van een beter leven elders. De roman gaat over „een personage dat luistert naar de onwaarschijnlijke naam Ilja Leonard Pfeijffer”, aldus de schrijver, die zich vestigt in Genua, verlangend naar de heerlijke clichés van het mediterrane leven. Dat lijkt de schrijver goed gelukt, op het terras. Hij bestelt nog een prosecco. Er schuift een oude Schot aan, ook een vriend van Pfeijffer, die even een praatje maakt, iets meedrinkt en weer vertrekt. „Het leven hier is buiten, het is onmogelijk om je gezicht niet te laten zien. Op een drukke vrijdagavond ken ik iedereen op het plein van gezicht. Het is net een dorp – zoiets heb ik in Leiden nooit ervaren. De Genuezen staan er in Italië om bekend dat ze gesloten en gierig zijn, maar ik vond dat meevallen. Ik knoopte gewoon praatjes aan in cafés. Bovendien bemoei ik me nergens mee: ik verdien mijn geld in Nederland en geef het hier uit.”

Tegenover de ‘luxe-immigratie’ van het personage Ilja Leonard Pfeijffer staat La Superba die van Afrikaanse bootvluchtelingen, die naar Europa komen om er een zogenaamd gegarandeerd fortuin te verwerven. „In Noord-Afrika leeft het idee heel sterk dat als ze de poort van Europa maar gepasseerd zijn, de rijkdom vanzelf komt. Hier belanden ze in het gebied rond de Via di Pré, die een wereld op zich is. Berlusconi heeft illegaliteit strafbaar gesteld en dat leidt alleen maar tot gettovorming. Ik vind het schrijnend: zij en ik delen in feite dezelfde droom, maar het vergaat ons nogal anders.”

Het intermezzo over de bootvluchteling is een onderbreking van het barokke spiegelpaleis dat La Superba is, het spel met feit en fictie: even moet alles precies zijn wat het lijkt. Aan het relaas is geen woord gelogen, zegt Pfeijffer. „Dat deel van het boek zou je zeker geëngageerd kunnen noemen. Het verhaal bestaat uit dingen die mensen me verteld hebben, die ik in de krant heb gelezen. De Spaanse vissersboot bestaat, de naam van de kapitein klopt, alleen het personage Djiby heb ik verzonnen.”

Notoir waarheidsbetwijfelaar Pfeijffer zwichtte dus voor de feiten. Van verzinsels zou de roman simpelweg niet beter zijn geworden, zegt hij. „Overdrijven zou contraproductief werken. Schrijven is een retorische daad, ik wil een lezer ergens van overtuigen. Niet op een pamflettistische manier, een roman kan juist de complexiteit van een kwestie laten zien. Een roman schrijf je als je een vraag hebt, een column als je het antwoord weet. Met de waarheid in dat intermezzo krijg ik de vraag die ik met La Superba wil stellen het beste voor het voetlicht.”

Pfeijffer steekt nog een shagje op. „Ik kan de krantenlezer geruststellen dat de roman niet autobiografisch is: ik heb het hier prima naar mijn zin en anders dan mijn personage ben ik vooralsnog niet hopeloos ten onder gegaan.” Hij moest zijn best doen om van het nieuwe land een thuis te maken – in de roman schrijft hij met enig leedvermaak over tv-programma’s waarin mensen emigreren om een onderneminkje te beginnen. „Hun fout is dat ze hun geijkte patroon willen verplaatsen naar een land waar het mooier weer is. In Leiden werd ik al een tijdje te weinig uitgedaagd, besefte ik achteraf. Ik ben in Genua een ander mens geworden.”