Fotograferen is balsemen

Ze heet Nelli Palomäki, heeft als fotografe al meer dan tien solotentoonstellingen in binnen- en buitenland achter de rug, maar ze komt uit Finland, en op de een of andere manier is dat in Europa een obstakel. Wat zich aan beeldende kunst in het noorden afspeelt is zuidelijker zelden hot news. Alsof Scandinavië als een afgezonderd deel van dit continent aan zijn eigen kunst (-netwerken) genoeg heeft. Kijk maar hoe een tentoonstelling als Nordic Art, nu in het Groninger Museum (tot 5/5), voor velen een eyeopener is.

Nelli Palomäki (Forssa, 1981), opgeleid aan de academie van Helsinki, maakt klassieke zwart-wit portretten, op groot formaat, van kinderen en vrouwen. Ze schrijft geen estheet te zijn, maar daar geloof ik niks van, want haar portretten zijn bloedmooi in hun soberheid, grijstonen, lichtval en in aankleding van kind en interieur. En dat Finse binnenhuisdecor is een donkere wand, zoals bij het meisje hierboven, of er heerst een huiselijke sfeer van bloemenbehang en warme kleden op bank en bed.

Vooral de heel jonge kinderen in Palomäki’s boek, zijn intrigerend. Ze lijken meer te weten dan ze kunnen vertellen. Een andere optie: Ze hebben net gehoord dat ze naar bed moeten waar ze dus even geen zin in hebben. Vandaar die beteuterde ernst in hun gezichtjes, en zelfs wat chagrijn. Elk lachebekje vergaat het lachen trouwens al snel bij langdurig poseren.

Je zou die ernstige uitstraling ook anders kunnen interpreteren. Palomäki klikt op het moment dat het kind wel gezien maar niet bekeken wordt: bij dat laatste neigen ze sneller naar grappen en grollen. Het doet zich niet vrolijk, dapper of beter voor – momenten waarop menig ouder graag met een camera toeslaat – in tegendeel, het laat al een onwennig soort eigenheid zien die nog niet bij dat frêle lijfje past.

Onvermijdelijk dringt zich een vergelijking op met het werk van Rineke Dijkstra – al legt zij kinderen vast in een latere levensfase. Ook bij haar portretten geen fratsen en aandachttrekkerij, maar een oorspronkelijk, wat schutterig naturel; met name de meisjes weten nauwelijks raad met hun houding, ze voelen zich nog niet zo senang in dat uitbottende lijf. Je maakt je vanwege de kwetsbaarheid die ze zelf onwillekeurig uitvergroten, al snel zorgen over hoe het hen later zal vergaan.

Hoe Palomäki te werk gaat komt in het boek niet aan de orde. Ergens las ik dat ze kind en/of moeder, vriend of vriendin, wel uitnodigt in de intimiteit van haar slaapkamer, en dat ze dan in het geniep achter de lens grondig studie maakt van de gezichten voor haar camera – wat nou niet echt uitzonderlijk is. ‘Een portret is een wanhopige manier om met iemand verbonden te blijven, een vreemdeling, maar door die foto vertrouwd geraakt’, schrijft ze. En ‘Ik wil graag iemands geheim vinden en prijsgeven’. Fotograferen ziet ze als een vorm van balsemen, met de niet aflatende gedachte van lijfelijk afscheid en dood in haar achterhoofd.

Dat laatste is inderdaad kenmerkend aan deze klassieke manier van werken, die zweem van sterfelijkheid, en het idee van de fotografische onsterfelijkheid. In de tweede helft van de 19de eeuw kwam menig mens maar een keer in zijn of haar leven op een foto terecht. Daar moesten de geportretteerde en het nageslacht het mee doen.

Voor Palomäki is het nu niet veel anders dan toen. Dat ene moment is niet meer terug te halen, schrijft ze. Een foto sterft bij zijn geboorte, en wat blijft zijn herinneringen om te koesteren. Dat klinkt dramatisch, maar ze maakt het wel waar, door de intensiteit waarmee gekeken en gewacht is om de meisjes en jongens zo onnadrukkelijk en ongekunsteld aanwezig te laten zijn.

Dat laatste geldt niet voor de serie matroosjes, in opleiding aan de militaire academie in Sint Petersburg, die eveneens in het boek zijn opgenomen. Hoe jong ook, de meesten willen nu al stoer lijken en zich niet laten kennen – al valt die macho-houding weg zodra ze samen met een kameraadje op de foto gaan. Dan mag er ineens gelachen worden, wat elders in dit boek een zeldzaam verschijnsel is, net als op de laat 19de-eeuwse portretten trouwens.

Knap om zulke klassieke portretten te maken die toch uitgesproken van deze tijd zijn. ‘Ik wil de magie van het verleden terugbrengen’, aldus Palomäki. En dat is gelukt. Om haar werk als Scandinavisch te bestempelen gaat te ver, maar toch huist er een rust en bezonkenheid in die beelden – somberheid, zeggen anderen – die je even meevoeren naar het hoge noorden.

Tot 1/4 expositie in Ordrupgaard, Charlottenlund, bij Kopenhagen. Ook tot 21/4 The Finnish Museum of Photography, Helsinki.