Een vader om te vrezen

‘Het grind op de oprit, ’s zomers bijna blauwig van kleur. Alleen dat al, de opritten van je jeugd! En de jaren zeventig auto’s die er stonden! Kevers, Snoeken, Taunussen, Granada’s, Ascona’s, Kadetten, Consuls, Lada’s, Amazones...’ Let op de twee uitroeptekens in deze euforische zin. De schoonheid van zoiets alledaags als een oprit. Uitroepteken. En de auto’s van toen. Uitroepteken!

Deze passage uit Zoon, het derde deel van de zesdelige autobiografische reeks Mijn strijd van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård (1968) is maatgevend voor meer dan 450 bladzijden jeugdherinneringen. De uitroeptekens, deze stemverheffingen in proza, wekken aanvankelijk verbazing, maar krijgen gaandeweg betekenis. Het geeft iets bezwerends aan de roman, en dat is precies wat Knausgård wil. In deze herinneringen speelt een boosaardig gestemde vader een cruciale rol. Hij is het die de zoon telkens weer uit het paradijs van zijn jeugd verjaagt. En het is de zoon die, jaren later, zijn vader alsnog wil overtuigen van de magie van zijn vroege levenstijd.

Het boek speelt zich af in Zuid-Noorwegen. In 1969 vertrekt een jong gezin met twee kinderen naar een nieuwbouwwijk. Een van de kinderen is de pasgeboren Karl Ove, die vanuit zijn kinderwagen naar de hemel staart. Bij eerste lezing valt het niet op, maar bij herlezing des te meer: het woord nieuw zwermt uit over de pagina’s. Knausgård memoreert in deze terugblik treffend dat jonge mensen voor het eerst ver weg van het ouderlijk huis gingen wonen. Het wekt zijn verbazing: ‘Voor de jonge jarenzestigmoeder was het een absurde gedachte om te trouwen met een jongen van een naburige boerderij en daar de rest van haar leven door te brengen. Ze wilde weg! Ze wilde haar éigen leven hebben!’ En verder: ‘Dat ze dat met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid deden, zegt iets over de kracht van de tijdgeest. De tijdgeest komt van buiten, maar heeft effect van binnen.’

Vergrootglas

Van een oprit waar Kevers en Snoeken staan tot een gedachte over de tijdgeest: de lezer is aan het begin van deze grootse roman en Knausgård geeft zijn literaire methodiek al prijs. Hij zoomt in en zoomt uit. Soms legt hij pagina’s lang het vergrootglas op een duizelingwekkende hoeveelheid details om vervolgens uit te weiden over tijdgeest, de werking van het geheugen en soorten van herinnering. De ondertitel van dit deel luidt Zoon, na het eerste deel Vader en het tweede Liefde. Knausgårds reeks is niet chronologisch geordend. Nu pas komen de vroegste kindertijd en de jeugdjaren aan bod. Dat vereist van de schrijver ingenieuze kunstgrepen om de fase waarvan hij zegt zich niets te herinneren aanschouwelijk te maken. Hij geeft een nauwgezette opsomming van soorten van herinneringen. Er zijn geuren die herinneringen oproepen, smaken, geluiden, gevoelens als geluk en woede en tot slot herinneringen die verbonden zijn met het landschap.

In Zoon is dat laatste cruciaal: ‘In het landschap van je jeugd had elke steen, elke boom betekenis, en omdat je daar alles voor het eerst zag én omdat je het zo vaak zag, heeft het zich afgezet in de krochten van je bewustzijn.’ De Knausgård van nu – de schrijver is rond de veertig – hoeft in gedachten de deur van het ouderlijk huis slechts te openen of de ‘beelden stromen me al tegemoet.’

In Zoon stroomt die vloed ook de lezer tegemoet. Er zitten stoere jongensgebeurtenissen bij, zoals vanaf een brug een steen laten vallen op voorbijrijdende auto’s, het zoeken van pornoblaadjes op een vuilnisbelt en de prille liefdes voor meisjes van de klas. Maar er is meer aan de hand: de jonge Karl Ove heeft een diepe angst voor zijn onberekenbare vader. Met harde hand regeert hij in het nieuwe huis, hij heeft zelfs ‘de waanzin in zijn ogen.’ Knausgård biedt de lezer geen inzicht in de motieven van zijn vader. Dat is aanvankelijk onbevredigend, maar bij nadere beschouwing zorgt dat juist voor de kracht van Zoon.

Zoals Karl Ove en zijn oudere broer Yngve aldoor op hun hoede moeten zijn, omdat de raadselachtige dreiging van de vader alomtegenwoordig is, zo vergaat het de lezer ook: hij laat zich meeslepen door de jeugdherinneringen van Knausgård en is, net als Karl Ove, steeds beducht voor de vader die kan opduiken. Er is de suggestie dat de strenge vader het beste met de kinderen voor heeft, hij is bang dat ze verkeerd terecht komen. Zijn lovenswaardige motieven hebben op de sensibele zoon een desastreuze uitwerking.

Herfst

Knausgård beseft dat zijn wereld klein is, maar hij voegt er meteen aan toe: ‘Dat was de wereld. Maar wat voor een wereld!’ Vol sfeer roept Knausgård het Noorse landschap op dat hij, integenstelling tot veel Scandinavische auteurs, nooit met sombere streken beschrijft, zelfs niet als de herfst nadert: ‘De herfst, dat was de duisternis, de aarde, het water, de holtes. Dat was de ademhaling, het gelach, het licht van zaklampen, hutten van dennentakken, de kampvuren, de groepen kinderen die alle kanten op zwierven.’

In het Nederlands van Paula Stevens komt de evocerende pracht van Knausgårds taal goed tot zijn recht. Het boek begint met de aankomst in een nieuwbouwhuis en met de verhuizing van het gezin Knausgård naar een ander huis, in het ver weg gelegen Kristiansand. De schooltijd is voorbij. Voorgoed verdwijnt het landschap van Karl Oves jeugd uit zijn leven. Het lijkt een definitief afscheid, dat is het niet: alles staat in zijn geheugen gegrift en is vastgelegd in dit weergaloos mooie herinneringsboek.

In de Boekenweek, 16-24/3, brengt Karl Ove Knausgård een bezoek aan Nederland. Inl: www.degeus.nl