Een jaar vol zindering en wildheid

Achteraf bezien is het niet zo vreemd dat in 1914 een oorlog uitbrak in Europa. Want het jaar dat eraan voorafging barstte al bijna uit elkaar van boze energie.

In 1913 stond Europa op springen. De grootmachten van die tijd – Duitsland, Frankrijk, Engeland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland – lagen voortdurend met elkaar overhoop, vooral als het ging om de Balkan, het uiteindelijke kruitvat. Maar ook de maatschappij was op drift geraakt. Intellectuelen en kunstenaars riepen met veel kabaal op tot vernieuwing en vooral vernietiging van al het bestaande, omdat traditionele waarden en normen in hun ogen hun geloofwaardigheid hadden verloren.

Die verwoestingsdrang zou kunnen verklaren waarom velen zich een jaar later met hysterisch enthousiasme in een oorlog stortten, toen de Habsburgse troonopvolger in Sarajevo door een Servische terrorist werd vermoord en diens rivaal binnen de legerleiding eindelijk zijn zin kreeg om korte metten met Servië te mogen maken. Het systeem van bondgenootschappen, dat Duitsland aan de kant van Oostenrijk-Hongarije had doen belanden en Rusland, Engeland en Frankrijk aan de zijde van Servië, deed de rest om het Avondland in de zomer van 1914 in een ongekend en vooral onnodig bloedbad te dompelen.

Weinig historici hebben de dramatische spanningen van die tijd zo trefzeker in een boek gevangen als Modris Eksteins in zijn Rites of Spring. Stravinsky’s revolutionaire ballet Le Sacre du Printemps, dat in 1913 in Parijs in première ging, voert hij daarin op als symbool voor het samenballen van al die rusteloze energie, die in het theater de oorlogstrommen al deed roffelen.

Harry graaf Kessler

Het is dus niet zo vreemd dat Stravinsky en zijn ballet ook in Florian Illies’ 1913. Het laatste gouden jaar van de twintigste eeuw ter sprake komen. Illies citeert daarvóór de dagboeken van de Duitse aristocraat en mecenas Harry graaf Kessler, een van de belangrijkste chroniqueurs van zijn tijd. Kessler noemt het ballet ‘een nieuw soort wildheid in onkunst en kunst tegelijk’.

1913 is een boek volgens een beproefd recept. Op grond van dagboekaantekeningen, biografieën en briefwisselingen van beroemdheden uit die tijd wordt een portret geschetst van een bijzonder jaar uit de geschiedenis, door van maand tot maand belangrijke gebeurtenissen aan elkaar te rijgen. Het materiaal dat Illies daarvoor gebruikt is weliswaar bekend, maar door 1913 vanuit de belevenissen van verschillende beroemdheden te beschrijven, krijg je toch een origineel en levendig beeld van dat broeierige jaar.

Het grootste deel van Illies’ boek speelt zich af in het Duitse en het Habsburgse keizerrijk. Want dáár gebeurde het. München was de culturele hoofdstad van Europa, Wenen het laboratorium van de moderne tijd.

Slechts een enkele keer richt Illies zich op de Nieuwe Wereld, bijvoorbeeld als hij wil laten zien hoe de vernieuwende schilderkunst uit Europa er werd ontvangen of als het over Louis Armstrong gaat die in 1913 de trompet ontdekt. Jammer is dat Sint-Petersburg, dat met Wenen kon wedijveren als centrum van vernieuwing, niet wordt opgevoerd.

De ‘usual suspects’ in Illies’ cultuurhistorische theater van 1913 zijn Freud, Schnitzler, Thomas en Heinrich Mann, Picasso, Ernst Jünger, Egon Schiele, Oswald Spengler, Lou Andreas-Salomé, Franz Kafka, Hitler, Stalin, Kokoschka, Else Lasker-Schüler, Franz Marc, Marcel Duchamp, Rilke, de keizers Wilhelm II en Franz Joseph, en de Mona Lisa. Dat schilderij is een van de rode draden die Illies spint. Beter gezegd: de zoektocht naar dat schilderij, want aan het begin van zijn boek is het gestolen en aan het eind wordt het teruggevonden.

Over de in Praag bij zijn ouders wonende Franz Kafka blijft het aardig om te lezen dat hij alleen per brief de Berlijnse Felice Bauer lief kan hebben en in een uiteindelijk schriftelijk huwelijksaanzoek alles verpest. Kafka verbeeldt op die manier bij uitstek het neurotische van zijn tijd, dat bij Freud op de sofa uitvoerig wordt geanalyseerd. Want bijna iedereen die Illies opvoert is depressief, zoekende, seksueel gefrustreerd, te dik, angstig of suïcidaal. Die neuroses zijn tegelijkertijd de voedingsstof voor hun vernieuwende kunst, net zoals de door Illies als ‘het grote protestants-Joodse verzoeningsproject’ omschreven liefde tussen de dichter Gottfried Benn en dichteres Else Lasker-Schüler dat is.

Over Freud, die in 1913 al wereldberoemd en rijk is, krijg je van Illies de vermakelijkste beschrijvingen opgelepeld. Hij lijkt bij alle andere opgevoerde personen om de hoek te wonen, maar komt ze toch zelden of nooit tegen. De schrijver en arts Arthur Schnitzler ging hij met opzet uit de weg. Die behandelde namelijk dezelfde thematiek als hij, maar dan in romans. Eén keer durfde Freud Schnitzler te schrijven over zijn schroom om hem te ontmoeten, de ‘schroom voor een dubbelganger’. Het maakt van Freud ineens een normaal mens. Maar Schitzler wint het als het om humor gaat. Toen een gewonde jongen, die door een pony in zijn penis was gebeten, bij zijn praktijk werd afgeleverd, beval hij: ‘Breng de patiënt onmiddellijk naar de eerste hulpkliniek – en de pony het beste naar professor Freud.’

Thomas Mann

Freud en Schnitzler konden beiden rekenen op de bewondering van Thomas Mann, die door Illies in al zijn versluierde homoseksualiteit treffend wordt neergezet. Het levert mooie passages op, vooral waar het gaat om Manns vete met de vermaarde literatuurcriticus Alfred Kerr, die met minder succes dan Mann naar de hand van de steenrijke Katia Pringsheim had gedongen en sindsdien een pesthekel aan hem had.

Ook krijg je uit 1913 een mooi beeld van de ontstaansgeschiedenis van Manns De Toverberg, die in 1924 wordt gepubliceerd. Daarbij wordt vermeld dat het boek er meer dan tien jaar over heeft gedaan om de grens van 100.000 verkochte exemplaren te overschrijden.

Veel meer sympathie krijg je echter voor Heinrich Mann, een politiek bewustere en sensuelere schrijver dan zijn grote broer. In 1913 publiceerde hij De onderdaan, een roman over de Duitse neiging om het staatshoofd op een ziekelijke manier te bewonderen, een dweepzucht die zich bij Hitler zal herhalen.

Dat Stalin en Hitler misschien wel in hetzelfde Weense koffiehuis tegenover elkaar hebben gezeten, is een interessant gegeven voor een andere roman. Maar het lijkt ook echt zo te zijn gebeurd, zij het dat het decor het park van het Weense Schönbrunn was. Illies beschrijft hun gang in januari 1913 met humor. Een mislukte priester uit Georgië en een mislukte kunstschilder uit Braunau am Inn, beiden op zoek naar iets groters. Het doet je je opnieuw verbazen hoe het mogelijk is dat zulke verfomfaaide mannetjes het zo ver hebben kunnen brengen.