De uitvinder van de kattenpiano

Als een echte homo universalis hield Athanasius Kircher zich met veel bezig. ‘Een kwakzalver’, vond Descartes. Kircher had inderdaad een dikke duim, én veel kennis.

Een geleerde die zoals Athanasius Kircher (1602-1680) als levensmotto in uno omnia (‘alles in een’) voert, moet er een encyclopedische belangstelling op na houden. De Jezuïet Kircher publiceerde dan ook lijvige boekwerken op gebieden als egyptologie, geologie, anatomie, cryptologie, magnetisme, wiskunde, filologie, taalkunde, muziektheorie, bacteriologie, akoestiek, astronomie, mechanica, kleurenleer, geografie. Hij was uitvinder (denk aan megafoon of kattenpiano) en inrichter van een legendarisch rariteitenkabinet – het Museum Kircherianum in Rome. Bovendien kon hij zich bedienen van vele Europese talen, tot en met het Syrisch, Koptisch, Hebreeuws en Chinees. Duizelingwekkend. Een echte homo universalis.

Er waren redenen om Kirchers expertise op al die gebieden ook inderdaad aan te nemen. Na een aanloop als docent op verschillende Jezuïetencolleges doceerde hij aan de pauselijke Universiteit van Avignon, werd als wiskundige in 1633 door keizer Ferdinand II naar Wenen geroepen om Johannes Kepler op te volgen als wiskundige, maar kwam in plaats daarvan in Rome terecht, waar hij in Paus Alexander VII een machtig beschermheer vond.

Kircher kon zich nu zonder veel storingen wijden aan zijn grenzenloze onderzoekingen. Een bijdrage aan zijn geloofwaardigheid leverden ook de schitterende uitgaven waarin hij de resultaten van zijn onderzoekingen openbaarde, verlucht met bijzonder aantrekkelijke gravures. Kircher werd slim ‘in de markt gezet’ en was een veelgelezen, populaire auteur.

Over Athanasius Kircher is onlangs John Glassies biografie A Man of Misconceptions. The Life of an Eccentric in an Age of Change verschenen. Een uitstekend geschreven, glasheldere biografie. Glassie beschrijft Kircher als (late) renaissance-wetenschapper. In Kirchers universum stond niet de werkelijkheid centraal, maar de in uno omnia-geest van de occulte tekstverzameling Corpus Hermeticum, dat werd toegeschreven aan de auteur Hermes Trismegistus.

Tragisch genoeg meende Kircher dat het hier om een eeuwen vóór Christus geschreven, Egyptisch werk handelde, en dat we Hermes moesten associëren met dezelfde Mozes die de eerste Bijbelboeken bij elkaar zou hebben gepend. Later zou blijken dat het een losse verzameling teksten uit de tweede eeuw ná Christus betrof, waarmee de voor Kircher essentiële link met het oude Egypte fictief werd.

Vesuvius

Zijn obsessie met Hermes Trismegistos betekent niet dat Kircher zich afzijdig hield van de de werkelijkheid. Alleen al het feit dat hij zich liet neerzakken in de krater van de Vesuvius (die kort daar voor nog actief was geweest) om daar veldonderzoek te doen voor zijn Mundus subterraneus (1664–1678) is veelzeggend.

Toch heeft hij zich bij al zijn werk door Hermes laten bijlichten – zeg maar rustig ‘verblinden’. Voor een deel beweegt hij zich in een andere wereld, die parallel naast de ons bekende realiteit beweegt. In die wereld houdt de wetenschap zich bezig met wonderlijke onderzoekingen, in Kirchers geval bijvoorbeeld met een nauwkeurige indeling van de Arke Noachs (Arca Noe, 1675). Welk dier stond waar?

Het leverde een schitterende plattegrond op. Voor de giraffe was overigens in de Kircherversie van de Ark geen plaats. Dit dier zou na de Zondvloed vanzelf wel weer ontstaan, het was immers de kruising tussen een luipaard en een kameel.

Te Rome werd een obelisk gevonden, die aan vier zijden was voorzien van hiërogliefen. De zijde waar de obelisk op lag was echter onzichtbaar. En toch speelde onze Egypte-kenner Kircher het klaar om naast de drie zichtbare, ook de onzichtbare reeks afbeeldingen te vertalen – een meesterstukje.

Fraai is ook Kirchers parallel-wetenschap als het gaat om de medico-muzikale genezing bij de beet van de tamelijk onschuldige Italiaanse tarantula, die een soortement St. Vitusdans bij de patiënt opwekte. Kircher schreef muziek voor, die het gif naar de huid trok waar het vervolgens kon worden uitgezweet. Je moest wel weten of de patiënt cholericus of flegmaticus was: de een reageerde op de citer, bij de andere moest men met muziek van trommels en cimbalen genezen.

Het summum van zijn wetenschappelijke ontdekkingen mag men wel de kattenpiano noemen. Men zet een paar naar stemtimbre gerangschikte katten met de staart klem in een fraai schrijnwerkersproduct – Kircher wist hoeveel vormgeving aan overtuigingskracht bijdroeg – en prikt ze door middel van een toetsenbord beurtelings met een stalen naald. Muziek!

Redeneerkronkels

Biograaf John Glassies beschrijft dit alles met eruditie en smaak. Hij legt een groot vermogen aan de dag Kirchers vaak duistere gedachtenwereld met bijbehorende redeneerkronkels simpel samen te vatten – geen eenvoudige opgave. Aan een andere voorwaarde om overeind te blijven in het Kircher-universum voldoet hij ook: gevoel voor parallel-wetenschap, deernis (bij voorbeeld als het gaat om de jammerlijke ontmanteling van het Museum Kircherianum. Maar ook bewondering.

Descartes mag Kircher dan ‘meer kwakzalver dan geleerde’ hebben genoemd, de bedoelde kwakzalver heeft bij zijn werken naast zijn dikke duim dankbaar gebruik gemaakt van gegevens uit de correspondentie met meer dan 700 geleerde Jezuïetenbroeders. En zijn project met een door de invloed van zonnemagnetisme op een zonnebloempit aangedreven klok leunt aan tegen oplichterij.

Maar we moeten niet te snel oordelen, zegt Glassie terecht. Het was een Age of Change, de uiterst aards en mechanistisch denkende Descartes was onderweg, maar vele andere wetenschappers stonden evenzeer slechts met één been in de werkelijkheid. Daarbij was het Kircher die na microscopisch onderzoek in zijn Scrutinium Pestis (1658) noteerde dat hij in pestlijdersbloed micro-organismen (animalcules) had aangetroffen. Een juiste conclusie, net als zijn aanbeveling hygiënische maatregelen te nemen tegen de ziekte.

Of Kircher nu met zijn fanatieke verzamel- en combinatiewoede een premoderne postmodernist was of niet (zoals wel wordt beweerd), fascinerend zal hij altijd blijven. In Phonurgia Nova (1673) filosofeerde hij over mogelijkheden om muziek naar verre locaties te verzenden, in Polygraphia nova (1663) beschreef hij een zelfontworpen wereldtaal. Van al die dingen.