Afropolitans

Jonge West-Afrikaanse schrijvers laten zich steeds meer gelden: er is ruimte voor glamour en kritiek. Afrikaclichés en de westerse hang naar authenticiteit zijn passé.

De boze Afrikaanse romanschrijver is niet meer. Hij is vervangen door de glamoureuze Afrikaanse romanschrijfster. Neem Taiye Selasi. Vandaag verschijnt haar debuutroman Ghana Must Go. Nog voordat het boek er was, stond ze al pontificaal in verschillende Britse bladen. Natuurlijk, omdat er veel van haar roman wordt verwacht. Maar ook omdat ze mooi is en een jasje van Alexander McQueen had gekocht, dat ‘captivated her toen ze het in een etalage in Hong Kong zag hangen’, tekent The Telegraph zonder spoor van ironie op.

Verhalen over de kleding die je draagt en de make-up die je op hebt – het is een eer die weinig schrijvers te beurt valt. Zoiets is eerder voorbehouden aan artiesten als Britney Spears, bij wie de verschijning interessanter is dan hun zangkwaliteit.

Wat kunnen we verwachten van de Britney Spears onder de schrijvers? Ze geniet van haar status, laat zich de lof-bij-voorbaat van Salman Rushdie en Elizabeth Gilbert graag aanleunen en ze lijkt niet nerveus als The Guardian vindt dat haar boek iets is om naar uit te kijken.

Een droomstart. En misschien is het doorgeslagen Hollandse nuchterheid, maar met verbazing moet je vaststellen dat Ghana Must Go daadwerkelijk een droomdebuut is. Het verhaal begint met de dood van een briljante arts. Op een ochtend heeft hij, terwijl hij geniet van zijn zelf ontworpen huis met strakke patio en zijn status als levensredder, zijn eigen dood niet zien aankomen.

De man woont sinds enige tijd weer in Ghana, nadat hij zijn echtgenote en vier kinderen heeft ingeruild voor een nieuwe vrouw – een dommere versie van zijn eerste. Begrijpelijk genoeg heeft hij weinig of geen contact meer met zijn achtergebleven gezin, dat inmiddels is uitgewaaierd over de VS, Engeland, Nigeria en Ghana. Zijn dood is aanleiding om verschillende personages hun levensverhaal te laten vertellen met als belangrijk keerpunt het plotselinge vertrek van hun vader.

Het pijnlijkst is het relaas van de tweeling die voor een jaar naar een seksueel gefrustreerde, dictatoriale oom in Nigeria wordt gestuurd, omdat de moeder het allemaal niet meer aan kan. En ook de andere kinderen hebben een visie op hun vaderloze jeugd, opgerakeld door de dood van die vader. Maar hoe dan ook: alle vier hebben ze zich weten te ontwikkelen tot modelimmigranten: aangepast en goed opgeleid.

Behalve een mooi verteld familieverhaal is dit ook een roman over de manier waarop westerlingen naar Ghanezen en Nigerianen kijken, en over hoe er in Ghana tegen buitenlanders wordt aangekeken. De eerste vrouw van de arts geeft een fijn staaltje onbegrip ten beste. Zij is Nigeriaanse en komt wanneer alle kinderen uit huis zijn als gescheiden vrouw in Ghana terecht: ‘Ze is een vrouw, om te beginnen: niet getrouwd, wat erger is, een Nigeriaanse, wat nog erger is; en ze heeft een lichte huid. In Ghana komt het er dan op neer dat je net zo goed een bekende terrorist kan zijn.’

Selasi plaatst zichzelf hiermee tussen andere jonge auteurs uit West-Afrika, die schrijven over hoe het is om buitenstaander te zijn in eigen land. De Nigerianen Helon Habila en Teju Cole, beiden pendelend tussen de VS en Nigeria, deden dat al succesvol. Habila heeft naast een literair ook een politiek doel; hij wil misstanden in zijn eigen land aan de kaak te stellen. Teju Cole schrijft om de blik van de buitenstaander vanuit verschillende invalshoeken te belichten. Zijn debuut Open stad omschreef hij zelf als een psychogeografie.

Deze nieuwe generatie kun je het best omschrijven als ‘Afropolitans’, om een woord te gebruiken dat door Selasi zelf enkele jaren geleden werd gemunt, en dat zowaar school maakte: Young, urban and culturally savvy, aldus CNN: hip, cultureel verantwoord, jong. Ze zijn Afrikaans en ze zijn er trots op; niet nationalistisch of provinciaal, maar kosmopolitisch.

Selasi bewijst met haar debuut dat er in de West-Afrikaanse literatuur inderdaad een interessante ontwikkeling gaande is. Waar wij schrijvers uit die regio een tijdlang lazen uit verantwoordelijkheidsgevoel (hun boeken werden vaak in samenwerking met Novib uitgegeven), willen we nu weten wie die eyeliner zo keurig heeft aangebracht op het gezicht van de mooie debutante (voor de liefhebber: dat deed Jenny Coombs, die ook vaak voor de Antwerpse modeontwerper Dries van Noten werkt), de metro-schrijver, de culturele omnivoor: de Afropolitan dus.

Hoe komt het dat er steeds meer plek is voor dergelijke verhalen, dat deze auteurs ook breed omarmd worden in het Westen? Wat is er gebeurd met de romans waarin de arme Afrikaan als vanzelfsprekend onderdrukt wordt door een dictator met zonnebril?

Nog in 2005 schreef de Keniaanse auteur Binyavanga Wainaina in Granta een instructie over hoe je voor westerlingen over Afrika moet schrijven. Een cynisch pamflet, vol ‘tips’ als: ‘Gebruik in de titel altijd ‘‘Afrika’’, ‘‘Donker’’ of ‘‘Safari’’. Zet geen aangepaste Afrikaan op het omslag, maar eentje met een AK47 en blote borst. Zorg ervoor dat je personages ritme en muziek in hun ziel hebben’.

Maar zulk sarcasme is achterhaald. Om een personage uit de nieuwe roman van Chimamanda Ngozi Adichies roman Americanah te citeren: ‘Race is totally over-hyped these days’. Adichie is qua verschijning overigens ook een glamourgirl, al laat ze zich op andere dingen voorstaan dan het merk van haar laarzen; ze schreef een degelijke en omvangrijke historische roman, Half of a Yellow Sun (2006), die de Orange Prize kreeg, en haar TED-lezing in 2009 werd enthousiast onthaald.

Ze hield daar toen een interessant verhaal over de veranderingen in de West-Afrikaanse literatuur. Adichie wijst daarin op het gevaar van een eenstemmig geluid en stelt dat wie over bijvoorbeeld Afrika wil schrijven, niet elke keer moet beginnen bij het kolonialisme, maar ‘bij het falen van Afrikaanse naties zelf’. Je krijgt een ander verhaal, benadrukte ze, domweg omdat je een ander perspectief voorschotelt. Schrijf geen sociaal geëngageerde romans, maar werk vanuit een wereld die je kent: zo voorkom je een stereotiep beeld van Afrika.

Doordat er jaren achtereen vanuit een bepaalde model was gewerkt: vanuit het kolonialisme of andere Afrikaanse archetypen was er één vertelling ontstaan. Die is niet onwaar, maar wel ‘incompleet: het ene verhaal wordt het hele verhaal’. En dat kan tegen je gebruikt worden of leiden tot positieve discriminatie, maar altijd tot een eenzijdig beeld.

In haar roman Americanah werkt ze precies dit idee uit. Hierin vertelt ze het verhaal van Ifemelu en Obinze. De twee krijgen een relatie wanneer ze in Nigeria wonen, maar tijdens hun studie vertrekken beiden naar het Westen. Ifemelu gaat naar Amerika waar ze terecht komt in een groep Afro-Amerikanen. Iedereen ziet haar als de standaard Afrikaan, en ze botst op tegen discriminatie: zwarten maken minder kans op een baan, moeten hun haar ontkrullen en worden sneller van crimineel gedrag beschuldigd dan witte leeftijdsgenoten. Ifemelu is kortom haar huidskleur geworden, terwijl evenveel mensen roepen dat ras geen rol speelt. Dat laatste is iets dat vooral goed opgeleide witte Amerikanen zeggen, en natuurlijk Barack Obama. Geëmotioneerd luisteren Ifemelu en haar vrienden naar zijn speeches tijdens de eerste presidentsverkiezingen. Ook Obinze, die een groot Amerika-liefhebber is en haar in principe zou volgen naar de VS, wordt geconfronteerd met hoe er tegen hem aangekeken wordt. Alleen zit hij niet in de VS, maar in Groot-Brittannië.

Beiden keren na enkele jaren terug. Ifemelu is dan opeens ‘Madam America’ en de ‘Americanah’ die naar Nigeriaanse tv-zenders kijkt, waar geen enkele Nigeriaan meer naar kijkt, en een flat kan huren omdat ze Amerikaanse is. Obinze is de ‘perfect gentleman’ die in discussies met vrienden geconfronteerd wordt met het ‘falen van zijn eigen natie’.

Dit schitterende migrantenverhaal gaat over aanpassing, maar ook over de veranderende visie ten aanzien van ras: hoe rijker, des te minder ras er toe doet. Maar is dat waar? Is het vermijden van rassenkwesties en het hard roepen dat we allemaal één zijn niet een vorm van het vermijden van alleen al het wóórd racisme?

Het zijn terechte vragen die Adichie stelt. Ze zet je aan het denken met haar roman over de pogingen je aan te passen, het falen daarin, de veranderingen in je land en de keuzes die je maakt. Dat geldt voor de twee migranten, de hoofdpersonen, maar ook terug in kleine details als de rol van de Ghanezen in Nigeria, keren die facetten terug. Ghana Must Go staat er op tassen van enkele Nigerianen: het is een Nigeriaanse variant van het ‘Polenmeldpunt’. Niemand die er nog acht op slaat, behalve dan Ifemelu wanneer ze terugreist naar Nigeria en uit het raampje van haar taxi kijkt.

De blik van de buitenstaander is de ideale manier om iets over je land te zeggen. En het goede nieuws is dat de West-Afrikaanse glamourgirls dat in prachtige boeken weten weer te geven, in romans die het niet van glamoureuze publiciteitsfoto’s hoeven te hebben. Dat roept wel de vraag op waarom iemand als Selasi zich dan toch nadrukkelijk als glamourgirl aan de wereld wil presenteren. Met een enorme haal worden de clichébeelden over de Afrikaanse schrijvers van tafel geveegd die de westerse lezer op zijn donder geven voor het koloniale verleden of voor hun hang naar misplaatste authenticiteit. De vraag is dan wel: zijn we dusdanig van die manier van lezen genezen dat we helemaal niet meer kijken naar de boeken, of naar de geschiedenis, maar naar de make-up (Sisley Cosmetics, voor de liefhebber)?

Nee, dit is geen generatie die afrekent met de oude wereld, maar dit zijn ‘Afropolitans’, de schrijvers die dan weer in Afrika, dan weer in Amerika wonen, die een appartement in Parijs zoeken als het in Rome even niet lukt. Nouveau riche met een bodem, want hun boeken verraden een serieuze kijk op de rol van de schrijver in de wereld. En, belangrijker, het vermogen om het waar te maken.